Decentrale overheden die steun willen verlenen, moeten rekening houden met de staatssteunregels. De Europese Unie (EU) wil gelijke concurrentievoorwaarden scheppen voor alle ondernemingen op de interne markt. Vanwege de mogelijke verstoring van de mededinging op de Europese markt, is staatssteun in principe verboden. Er gelden echter vele uitzonderingen op het staatssteunverbod. Controle op overheids- of staatssteun aan ondernemingen is dan ook één van de belangrijkste onderdelen van het Europese mededingingsbeleid.
Wat is staatssteun?
Staatssteun is het direct dan wel indirect verstrekken van financiële steun aan ondernemingen door overheden. De EU wil gelijke concurrentievoorwaarden scheppen voor alle ondernemingen op de interne markt en heeft daarom staatssteunregels opgesteld om eventuele steun door overheden in goede banen te leiden. Deze staatssteunregels zijn neergelegd in de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
Staatssteun is in principe verboden omdat hiermee de mededinging op de Europese markt kan worden verstoord. Een maatregel levert pas staatssteun op als er aan alle voorwaarden van de cumulatieve criteria van het staatssteunverbod wordt voldaan. Wanneer niet aan alle criteria van artikel 107 lid 1 VWEU wordt voldaan, is er geen sprake van staatssteun en hoeft er geen melding te worden gemaakt van de verleende steun.
Wanneer is er sprake van staatssteun?
Er is sprake van staatssteun in de zin van het Europees recht wanneer voldaan wordt aan de vijf cumulatieve staatssteuncriteria, zoals genoemd in artikel 107, lid 1 van het VWEU:
- de steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht;
- de steun wordt door staatsmiddelen bekostigd;
- deze staatsmiddelen verschaffen een economisch voordeel dat niet via normale commerciële weg zou zijn verkregen (non-marktconformiteit);
- de maatregel is selectief: het geldt voor één of enkele ondernemingen, een specifieke sector/regio;
- de maatregel vervalst de mededinging (in potentie) en (dreigt te) leiden tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer in de EU.
Uitgebreide informatie over de bovenstaande criteria is te vinden op de pagina criteria staatssteun.
Staatssteuntoets
De verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van een staatssteuntoets ligt bij de decentrale overheid die de steun wil verlenen. Deze overheid is per steunmaatregel verantwoordelijk om te beoordelen of sprake is van staatssteun en om te borgen dat de steun rechtmatig wordt verleend (bijvoorbeeld door toepassing van een vrijstelling of, indien nodig, melding).
Eén van de criteria uit artikel 107 lid 1 VWEU ziet namelijk op de afkomst van de steun. Om van staatssteun te kunnen spreken, moet een maatregel immers toerekenbaar zijn aan de staat en (zijdelings) worden bekostigd met staatsmiddelen. Ook middelen van decentrale overheden worden aangemerkt als staatsmiddelen.
De Europese Commissie houdt (mede) toezicht op staatssteun, vooral achteraf. Daardoor ligt de eerste verantwoordelijkheid bij decentrale overheden. Bij een vermoeden van onverenigbare steun kan de Commissie onderzoek doen en kan terugvordering volgen. De controle ziet zowel op maatregelen die zijn aangemeld en kennisgegeven, als maatregelen waar de Europese Commissie op andere wijze hoogte van krijgt. Blijkt uit het onderzoek van de Commissie dat er inderdaad onverenigbare steun is verleend, dan moet deze mogelijk worden teruggevorderd. Meer hierover leest u onder procedures staatssteun.
Vormen van staatssteun
Staatssteun kan in allerlei vormen voorkomen en beperkt zich niet alleen tot de klassieke subsidie. Steunmaatregelen in de vorm van garanties, leningen, risicokapitaal, verlaagde huur en grondverkoop onder de marktwaarde kunnen hier ook onder vallen. Daarnaast zijn tevens de financiële middelen vanuit de Europese fondsen en programma’s onderworpen aan de staatssteunregels. Meer informatie over de verschillende vormen van staatssteun is te vinden op de pagina financieringsinstrumenten.
Vrijstellingsmogelijkheden
Hoewel staatssteun in beginsel verboden is en moet worden aangemeld bij de Europese Commissie ter goedkeuring, zijn er veel mogelijkheden om staatssteun in lijn met Europese wetgeving te verlenen dan wel te voorkomen. Zo biedt de Commissie een aantal manieren om staatssteun onder te brengen bij verschillende vrijstellingsverordeningen. Op basis hiervan kunnen decentrale overheden steun verlenen voor bepaalde beleidsdoelen, zonder dat een formele aanmeldingsprocedure nodig is.
De vrijstellingsverordeningen die het meest toegepast worden zijn de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) en de Landbouwvrijstellingsverordening (LVV). Voor lage steunbedragen kunnen overheden de de-minimisverordening gebruiken. Voor compleet overzicht van vrijstellingsmogelijkheden zie: Vrijstellingsmogelijkheden.
Beleidsterreinen
Staatssteun raakt vrijwel alle beleidsdossiers. Het is daarom belangrijk om bij het verlenen van steun aan ondernemingen altijd aan de staatssteunregels te denken. Voor meer informatie over de verschillende beleidsterreinen en staatssteun verwijzen we naar onze pagina beleidsterreinen staatssteun.