Europees mededingingsrecht

Het doel van het mededingingsrecht is om effectieve concurrentie te verzekeren. Dit gebeurt door middel van een verbod op gedragingen die eerlijke concurrentie in de weg staan. Voorbeelden hiervan zijn het kartelverbod, het misbruikverbod en controles op de naleving van de Europese mededingingsregels.

De basis van het Europese mededingingsrecht ligt in artikel 101 en 102 VWEU.

Gemeenten, provincies en waterschappen

Decentrale overheden kunnen met het Europese en nationale mededingingsrecht te maken krijgen, als zij zich op de markt begeven en goederen en diensten zelf of via hun overheidsbedrijven op de markt aanbieden.

Voorkomen oneerlijke concurrentie

Om oneerlijke concurrentie te voorkomen, moeten decentrale overheden zich aan verschillende regels houden. Wanneer een overheid zich gedraagt als onderneming, moeten zij zich houden aan de gedragsregels Wet markt en overheid (1 juli 2012). Daarnaast gelden er regels voor kartels en misbruik van machtspositie en is er een concentratietoezicht. De Autoriteit Consument & Markt (ACM, voorheen NMa) houdt toezicht op de naleving van deze regels. Meer over deze regels leest u aan de rechterkant onder wet- en regelgeving.

De overheid als onderneming

De gedragsregels Markt en Overheid van toepassing zijn opgenomen in de Mededingingswet. Een overheid treedt op als onderneming wanneer zij zelf, of via haar overheidsbedrijven, goederen of diensten op de markt aanbiedt. Bijvoorbeeld wanneer een gemeente zelf bedrijfsafval ophaalt. Daarnaast is de overheid medeverantwoordelijk voor het gedrag van ondernemingen waarin zij met kapitaal, aandelen of via stemrecht betrokken is.

De overheid als overheid

De overheid kan zich ook op de markt begeven als overheid. Dit gebeurt wanneer zij typische overheidstaken uitvoert. Een voorbeeld hiervan is het ophalen van huisafval. De mededingingsregels zijn niet van toepassing op deze taken. Wel is de nuttig effectnorm dan van toepassing.

Nuttig effectnorm

De nuttig effectnorm is door het Hof van Justitie EU in zijn jurisprudentie vastgelegd (zaak 13/77 en zaak 136/86). EU-lidstaten moeten zich onthouden van maatregelen die het nuttig effect van de op ondernemingen toepasselijke Europese mededingingsregels ongedaan kunnen maken. Decentrale overheden mogen niet meewerken aan de totstandkoming van een kartel. Ook mogen zij niet hun eigen marktregulerende bevoegdheden overdragen aan marktpartijen op een manier waardoor die partijen een kartel kunnen vormen.

Praktijkvragen

Nederlandse standpunten

Nieuws