Europees recht en beleid decentraal

Dit dossier biedt decentrale overheden informatie over het Europees recht en beleid in zijn algemeenheid en hun positie hierin. Decentrale overheden dragen zelf verantwoordelijkheid voor de juiste naleving van het Europees recht. Zij moeten met Europese wet- en regelgeving op dezelfde manier omgaan als nationale wet- en regelgeving.

Inleiding Europees recht en beleid

Onder Inleiding Europees recht en beleid vindt u meer informatie over de algemene werking en de totstandkoming van Europees recht en beleid voor decentrale overheden.

Europabewustzijn

Decentrale overheden dienen Europabewust om te gaan met het Europees recht en beleid. Hierbij wordt gedoeld op het zelfstandig benutten van kansen die Europa biedt.

Instellingen en organisaties

In het gedeelte instellingen en organisaties worden de verschillende organisaties en instellingen besproken die zich bezig houden met het maken en uitvoeren van Europees recht.

Financiële aspecten EU

Hoewel niet altijd gerelateerd aan Europeesrechtelijke vragen, hebben decentrale overheden toch behoefte aan informatie over hoe de financiële huishouding binnen Europa doorwerkt op decentraal niveau. Meer informatie hierover zie Financiële aspecten EU.

Beleid

Europabewustzijn

Vanuit de Europabewuste gedachte dat ook beleidsmatig Europa kansen kan bieden voor decentrale overheden speelt de Europa 2020 strategie van de Europese Commissie een belangrijke rol. Immers, waar de Commissie op beleidsdoelstellingen stuurt, kan een decentrale overheid ook- al anticiperend op deze beleidsdoelstellingen- sturen in haar eigen lokale praktijk.

Europa 2020

De ‘Europa 2020 strategy’ betreft een nieuwe strategie voor een slimmere en groenere sociale markteconomie. Deze strategie verscheen in de vorm van een Mededeling van de Commissie op 3 maart 2010 (COM(2010) 2020): ‘Europe 2020. A strategy for smart, sustainable and inclusive growth’.

Evaluatie

Sinds 2012 wordt de strategie geëvalueerd. Decentrale overheden hebben hier aan bij kunnen dragen door middel van een enquête. Het doel van deze uitgebreide raadpleging is de voorstellen van de overheden om de strategie te verbeteren aan te horen en de doelstellingen te kunnen realiseren. De resultaten worden in maart 2014 gepresenteerd tijdens de Europese Top van steden en regio’s van de EU.

Bedoeling strategie Europe 2020

Europa staat voor een ommekeer. De crisis heeft jaren van economische en sociale vooruitgang tenietgedaan en structurele tekortkomingen van de Europese economie blootgelegd. Ondertussen staat de wereld niet stil en worden de langetermijnproblemen –mondialisering, druk op de hulpbronnen, vergrijzing – steeds nijpender. De EU moet nu haar koers voor de toekomst uitzetten. Europa kan succes boeken als het collectief optreedt, als Unie. Europa heeft een strategie nodig waarmee zij sterker uit de crisis komt en van de EU een slimme, duurzame en inclusieve economie kan maken met een hoog niveau van werkgelegenheid, productiviteit en sociale cohesie. Europa 2020 biedt een visie op de Europese sociale markteconomie van de 21e eeuw.

Europa 2020 stelt drie prioriteiten, die elkaar versterken:

– slimme groei: voor een op kennis en innovatie gebaseerde economie;
– duurzame groei: voor een groenere, competitievere economie waarin efficiënter met hulpbronnen wordt omgesprongen;
– inclusieve groei: voor een economie met veel werkgelegenheid en sociale en territoriale cohesie.

Streefcijfers EU2020 strategie

De EU moet bepalen hoe zij ervoor wil staan in 2020. Daarom stelt de Commissie de volgende centrale EU-streefcijfers voor:

– 75% van de bevolking tussen 20-64 jaar moet werk hebben;
– 3% van het EU-bbp moet worden geïnvesteerd in O&O;
– de “20/20/20”-klimaat- en energiedoelstellingen moeten worden gehaald (dit met inbegrip van een grotere reductie van 30% als aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan);
– het percentage voortijdige schoolverlaters moet minder dan 10% bedragen, en minstens 40% van de jongere generatie moet een hoger onderwijsdiploma hebben;
– het aantal mensen voor wie armoede dreigt, moet met 20 miljoen zijn gedaald.

Deze streefcijfers hangen met elkaar samen en zijn bepalend voor het algehele succes. Om ervoor te zorgen dat iedere lidstaat de Europa 2020-strategie op zijn eigen situatie kan toesnijden, stelt de Commissie voor de EU-doelstellingen te vertalen naar nationale streefcijfers en trajecten.

Zeven kerninitiatieven of ‘flagships’

De streefcijfers vloeien voort uit de drie prioriteiten van slimme, duurzame en inclusieve groei, maar ze staan niet op zichzelf: ze zullen moeten worden ondersteund met diverse maatregelen op nationaal, EU- en internationaal niveau. De Commissie stelt zeven kerninitiatieven voor als katalysator voor de verschillende prioriteiten:

– “Innovatie-Unie” moet de randvoorwaarden en de toegang tot financiering voor onderzoek en innovatie verbeteren, zodat innovatieve ideeën worden omgezet in producten en diensten die groei en banen opleveren;
– “Jongeren in beweging” moet de resultaten in het onderwijs verbeteren en jongeren gemakkelijker toegang tot de arbeidsmarkt bieden;
– “Een digitale agenda voor Europa” moet de aanleg van supersnel internet bespoedigen en burgers en bedrijfsleven laten profiteren van een digitale interne markt;
– “Efficiënt gebruik van hulpbronnen” moet helpen economische groei los te koppelen van het gebruik van hulpbronnen, de overgang naar een koolstofarme economie te bevorderen, het gebruik van hernieuwbare energie op te voeren, de vervoersector te moderniseren en energie-efficiëntie te bevorderen;
– “Industriebeleid in een tijd van mondialisering” moet het ondernemingsklimaat verbeteren, met name voor kmo’s, en zorgen voor een sterke en duurzame industriële basis die de mondiale concurrentie aankan;
– “Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen” moet de arbeidsmarkten moderniseren en de mensen meer kansen geven door een leven lang leren mogelijk te maken, zodat de participatiegraad toeneemt en vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beter op elkaar worden afgestemd, onder meer dankzij een grotere arbeidsmobiliteit;
– “Europees platform tegen armoede” moet de sociale en territoriale cohesie versterken zodat iedereen kan delen in de groei en de werkgelegenheid, en mensen die met armoede en sociale uitsluiting te kampen hebben, een menswaardig bestaan kunnen opbouwen en actief kunnen deelnemen aan de samenleving.

Deze zeven kerninitiatieven houden verplichtingen in voor zowel de EU als de lidstaten. Om knelpunten te verhelpen en de doelstellingen van Europa 2020 te verwezenlijken zullen de EU-instrumenten, waaronder met name de interne markt, financiële hefbomen en externe beleidsinstrumenten volop worden ingezet.

Inmiddels zijn op kerninitiatieven innovatie-unie, digitale agenda, jongeren in beweging, efficiënt gebruik van hulpbronnen, industriebeleid, armoede en werkgelegenheid en groei diverse uitwerkingen verschenen. Zie voor een overzicht en de stand van zaken inzake de kerninitiatieven deze website.

Twee pijlers: thematisch en landenrapportage

Om tot resultaten te komen is beter economisch bestuur nodig. Europa 2020 heeft twee pijlers: de hierboven geschetste thematische aanpak met een combinatie van prioriteiten en centrale doelstellingen, en de landenrapportage, die de lidstaten moet helpen strategieën te ontwikkelen om weer tot duurzame groei en duurzame overheidsfinanciën te komen.

Op EU niveau worden geïntegreerde richtsnoeren geformuleerd voor alle prioriteiten en doelstellingen van de EU. De lidstaten krijgen aanbevelingen die specifiek op elke lidstaat zijn toegespitst. Wanneer op de aanbevelingen een ontoereikende respons komt, kunnen beleidswaarschuwingen worden gegeven. De rapportage over Europa 2020 en het stabiliteits- en groeipact gebeurt tegelijkertijd, terwijl de twee instrumenten gescheiden blijven en de integriteit van het stabiliteits- en groeipact gehandhaafd blijft.

De Europese Raad heeft een sturende taak en vormt de spil van de nieuwe strategie. De Commissie houdt de vorderingen bij de verwezenlijking van de doelstellingen in het oog, zij faciliteert uitwisseling van beleidsmaatregelen en doet de nodige voorstellen om de maatregelen in goede banen te leiden en de kerninitiatieven van de EU te bevorderen. Het Europees Parlement mobiliseert de burgers en treedt voor de belangrijke initiatieven op als medewetgever. Deze aanpak op basis van partnerschap moet ook gelden voor EU-comités, nationale parlementen en nationale, lokale en regionale autoriteiten, de sociale partners, andere belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld. Iedereen moet erbij worden betrokken om de visie tot werkelijkheid te maken. De Commissie stelt voor dat de Europese Raad in maart de algemene aanpak van de strategie en de centrale doelstellingen goedkeurt, en in juni de details van de strategie vaststelt, waaronder de geïntegreerde richtsnoeren en de nationale streefdoelen. De Commissie kijkt uit naar het standpunt en de steun van het Europees Parlement, want die zijn noodzakelijk om Europa 2020 tot een succes te maken.’

Voorafgaande raadpleging

Voor de totstandkoming van de EU 2020 strategie heeft de Commissie een publieke raadpleging gehouden over de strategie, die betere perspectieven voor de EU economie moet opleveren. Het raadplegingsdocument betreft een werkdocument van de Commissie uit 2009, getiteld ‘ Raadpleging over de toekomstige Europa 2020 strategie’ (COM(2009) 647 def). EU 2020 moet onder meer tot de groenere groei leiden waar iedereen zijn graantje van kan meepikken, zoals voorzitter Barroso die al in zijn politieke richtsnoeren heeft geschetst. De nieuwe strategie bouwt voort op de resultaten van de Lissabonstrategie en op de lering die daaruit is getrokken.

Overzicht van de reacties op het consultatiedocument van burgers, bedrijfsleven en lidstaten.

Goed bestuur voor een goed functionerende Europa2020

De Commissie stelt voor dat de Europese Raad het Europa 2020-proces stuurt door de belangrijke beslissingen te nemen en de doelstellingen op basis van Commissievoorstellen vast te leggen. De Commissie wil dat het Europees Parlement een aanzienlijk grotere rol speelt. Ook de nationale parlementen zullen worden verzocht blijk te geven van hun belangstelling en verantwoordelijkheid in dit verband op te nemen. In de raadpleging wordt voorgesteld dat de conclusies van de Europese voorjaarsraad van 2010 de zogenoemde “geïntegreerde richtsnoeren” ondersteunen en het beleid bevestigen dat de EU en de lidstaten in partnerschap moeten voeren. De nieuwe richtsnoeren zouden de richtsnoeren vervangen die sinds 2005 in het kader van de Lissabonstrategie van kracht zijn.

Lidstaten vijfjarendoelstellingen

De lidstaten zouden worden verzocht voor elk van deze streefdoelen vijfjarendoelstellingen vast te leggen die aangepast zijn aan hun specifieke omstandigheden en uitgangspunten. De Commissie en de Europese Raad zullen jaarlijks de vorderingen in de lidstaten en op EU- niveau nagaan. De inzendingstermijn voor reacties op de raadpleging eindigde op 15 januari 2010. De reacties zijn in te zien via de website van EU 2020: Press pack Europe 2020

Het complete raadplegingsdocument en een dossier Europa 2020 is hier gepubliceerd.

Werkprogramma’s

Jaarlijks publiceert de Europese Commissie haar werkprogramma’s. Werkprogramma’s bevatten concrete actieplannen voor wetgevings- en beleidsinitiatieven die de Europese Commissie in het volgende jaar gerealiseerd wil hebben. Voor elk initiatief worden ook de beoogde resultaten opgesomd. Voor meer informatie over het werkprogramma Europese Commissie 2015 zie publicaties.

Europees economisch herstelplan

In mei 2009 keurde het Europees Parlement het met de Raad bereikte compromis goed over het Europees economisch herstelplan (COM 2008 (800) def, mededeling van de Commissie aan de Raad: Een Europees economisch herstelplan). Zie hier het persbericht en aangenomen tekst van het Europees Parlement over het Economisch Herstelplan.

Jurisprudentie

Aansprakelijkheid EU recht en beleid
Aansprakelijkheid door particulieren en ondernemingen

Het Europese Hof van Justitie dat in het verleden verschillende uitspraken heeft gedaan waaruit de verantwoordelijkheden van decentrale overheden ten opzichte van het Europees recht kunnen worden afgeleid.

Francovich arrest

In het arrest Francovich (zaken C-6/90 en C-9/90) heeft het Hof zich uitgesproken over aansprakelijkheid als lidstaten richtlijnen niet tijdig omzetten in nationale wetgeving. In zulke gevallen kan de lidstaat bij de nationale rechter onder bepaalde voorwaarden aansprakelijk worden gesteld door particulieren voor schade die zij hiervan ondervinden.

In het geval van het Francovich-arrest verzuimde de nationale wetgever een richtlijn tijdig om te zetten in nationaal recht. Indien de omzettingsfout bij de decentrale overheid ligt, bepaalt het nationale recht hoe de aansprakelijkheid is geregeld. De Europese Unie bepaalt niet hoe de interne verhoudingen binnen de lidstaten georganiseerd moeten zijn.

Konle arrest

In het arrest Konle (zaak C-302/97) werd de aansprakelijkheid van decentrale overheden nog eens duidelijk belicht. In deze zaak ging het om Oostenrijk, een land met een federale structuur. In Oostenrijk waren vergunningsvereisten gesteld aan de aankoop van grond. Er moest aangetoond worden dat de aankoop niet zou dienen voor de verkrijging van een tweede huis. Enkel Oostenrijkers waren van deze vergunningsverplichting vrijgesteld.

Ter discussie stond de vraag of deze vergunningsvereisten in strijd waren met de Verdragsbepalingen over de vrijheid van vestiging van EU-onderdanen. Het Hof zei: ‘lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de schade wordt vergoed die aan particulieren wordt toegebracht door een schending van het Europees recht, ongeacht welk overheidsorgaan dit recht heeft geschonden en welk overheidsorgaan in beginsel volgens het recht van de betrokken lidstaat deze schade dient te vergoeden’. Een lidstaat kan zich dus niet beroepen op de verdeling van bevoegdheid en aansprakelijkheid in zijn nationale rechtsorde om zelf aansprakelijkheid te voorkomen.

Naar aanleiding van deze jurisprudentie van het Hof zijn er drie voorwaarden voor aansprakelijkheid van een (decentrale) overheid:

1. de geschonden regel strekt ertoe rechten aan particulieren toe te kennen;
2. de schending kan aan de lidstaat worden toegerekend;
3. er is een direct causaal verband tussen de schending en de schade.

(Bron: F. Ambtenbrink en H.H.B. Vedder, ‘Recht van de Europese Unie’, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2006, p. 263)

HvJEU, LPN tegen Commissie, 14 november 2013

Zaken C 514/11 P en C 605/11 P. De Europese Commissie is niet verplicht om het onderzoeksdossier in een niet-nakomingsprocedure openbaar te maken. Dit geldt ook wanneer een klacht is geseponeerd en de Commissie geen formele inbreukprocedure bij het EU-Hof heeft ingesteld.

Feiten
LPN is een Portugese milieuorganisatie. In april 2003 heeft zij een klacht bij de Europese Commissie ingediend waarin zij stelt dat Portugal richtlijn 92/43/EEG inzake instandhouding van natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna heeft geschonden bij het stuwdamproject in de rivier Sabor in Portugal. Hierop startte de Commissie een niet-nakomingsprocedure tegen Portugal.

LPN verzocht de Commissie inzage te geven in de documenten over de behandeling van haar klacht. Deze inzage werd door de Commissie geweigerd. Ook nadat de Commissie de klacht over het stuwdamproject had geseponeerd kreeg LPN geen volledige toegang tot alle documenten. Hierop verzocht LPN het Gerecht om nietigverklaring van dit besluit van de Commissie. Het Gerecht verwierp het beroep van LPN.

Toegang tot documenten
Het Hof wijst erop dat iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of zetel in een lidstaat in beginsel het recht heeft op toegang tot documenten van de Unie instellingen.

Uitzonderingen
De instellingen mogen de toegang tot een document weigeren op grond van artikel 4 lid 2 van verordening 1049/2001, inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, wanneer dit de bescherming van het doel van inspecties, onderzoeken en audits zou ondermijnen tenzij een hoger openbaar belang de openbaarmaking van een document vereist. De betrokken instelling moet dan wel motiveren in welk opzicht de toegang tot een document een concrete en daadwerkelijke ondermijning zou vormen van het belang dat beschermd wordt door de in dat artikel neergelegde uitzonderingen.

Algemene aanname
Het Hof heeft echter erkend dat de betrokken instelling zich in dit verband mag baseren op algemene aannames die gelden voor bepaalde categorieën documenten.

Er moet worden nagegaan of er een algemene aanname moet worden erkend dat de openbaarmaking van de documenten van de niet-nakomingsprocedure in de precontentieuze fase in dergelijke omstandigheden de bescherming van het doel van onderzoeken ondermijnt.

Geen recht tot inzage
Het Hof wijst erop dat het Unierecht een particulier in niet-nakomingsprocedures niet het recht geeft om het dossier in te zien, ook al leidde zijn klacht tot de procedure. Het is daarbij niet van belang dat de klager optreedt tot verdediging van een persoonlijk of openbaar belang.

De Commissie moet namelijk nagaan of tegen deze lidstaat moet worden opgetreden, bepalen welke bepalingen hij heeft geschonden en op welk tijdstip de niet-nakomingsprocedure tegen deze lidstaat moet worden ingeleid.

Precontentieuze procedure
De precontentieuze procedure heeft tot doel de betrokken lidstaat in de gelegenheid te stellen de krachtens het Unierecht op hem rustende verplichtingen na te komen en verweer te voeren tegen de door de Commissie geformuleerde grieven.

Openbaarmaking van de documenten van een niet-nakomingsprocedure in de precontentieuze fase kan bovendien de aard en het verloop van deze procedure wijzigen. Het kan dan nog moeilijker blijken om onderhandelingen aan te knopen en een schikking tussen de Commissie en de betrokken lidstaat tot beëindiging van een verweten niet-nakoming te treffen zodat het Unierecht kan worden nageleefd en verdere stappen kunnen worden vermeden.

Unieke categorie
Alle documenten van het dossier betreffende een precontentieuze fase van een niet-nakomingsprocedure vormen een unieke categorie. Hiervoor geldt een algemene aanname dat openbaarmaking van deze documenten in beginsel zou leiden tot ondermijning van de bescherming van het doel van onderzoeken.

Conclusie
Hieruit volgt volgens het Hof dat kan worden aangenomen dat de openbaarmaking van de documenten van een niet-nakomingsprocedure in de precontentieuze fase ervan de aard van deze procedure dreigt aan te tasten en het verloop ervan te wijzigen.

Het Hof voegt hieraan toe dat deze algemene aanname niet uitsluit dat kan worden aangetoond dat een bepaald document waarvan openbaarmaking is gevraagd, niet onder die aanname valt of dat een hoger openbaar belang openbaarmaking van het betrokken document gebiedt.

Bovendien is de Commissie niet gehouden haar besluit te baseren op deze algemene aanname. Zij kan de in een verzoek om toegang bedoelde documenten steeds concreet onderzoeken en een dergelijke motivering geven. Wanneer zij vaststelt dat de dossierstukken volledig of gedeeltelijk openbaar kunnen worden gemaakt is zij verplicht tot openbaarmaking.

Nieuws

Magere_Brug
Pact van Amsterdam aangenomen: betere kennis, regelgeving en financiering

Steden zullen meer worden betrokken bij en meer invloed krijgen op het Europese beleid. Dit is op 30 mei 2016 vastgesteld in het Pact van Amsterdam, dat werd gesloten op de informele ministeriële bijeenkomst in het Scheepvaartmuseum te Amsterdam. Deze bijeenkomst werd gehouden in het kader van het Nederlands EU-voorzitterschap. Het Pact gaat uitgebreid in op de samenwerking tussen onder andere steden en de Europese instellingen en de prioritaire thema’s van de Urban Agenda for the EU (UAEU).

Lees het volledige bericht

HNP Cees Loggen CoR forum
Pact van Amsterdam eerste stap in centraal stellen Europese burgers

Meer dan 70% van de Europeanen woont in steden en stedelijke regio’s. Dit zijn essentiële motoren van groei en innovatie. Door het Pact van Amsterdam, ondertekend op maandag 30 mei jl., krijgen deze steden en stedelijke regio’s meer invloed op EU beleid. De concrete implementatie van de EU Urban Agenda en de vervolgstappen staan centraal tijdens het Comité van de Regio’s forum dat parallel aan de ministersbijeenkomst in Amsterdam werd georganiseerd.

Lees het volledige bericht

Publicatie
Publicatie akkoord EU-instellingen over Beter Wetgeven

Het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie is op 12 mei 2016 gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (EU). De komende tijd zal de EU daarom aandacht besteden aan de implementatie van dit akkoord.
Lees het volledige bericht

Regio Randstad
Nieuwe Randstadstrategie: wat is de EU-inzet voor 2016-2019?

De provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland hebben afspraken gemaakt over hun gezamenlijke inzet in Brussel. Deze Europastrategie Randstad 2016-2019 is op 26 april 2016 vastgesteld door hun Gedeputeerde Staten. Met deze strategie willen de provincies meer invloed uitoefenen op het Europees beleid dat betrekking heeft op de Randstad.

Lees het volledige bericht

rechtstreekse werking
Rechtstreekse werking aanbestedingsrichtlijnen?

De deadline van 18 april 2016 voor de implementatie van de nieuwe Europese aanbestedingsrichtlijnen en de nieuwe concessierichtlijn gaat niet gehaald worden. Hierdoor leven er veel vragen over de mogelijke rechtstreekse werking van deze richtlijnbepalingen. De komende tijd zullen er meerdere initiatieven worden ontplooid om ook decentrale overheden meer duidelijkheid te kunnen verschaffen over welke bepalingen uit de nieuwe Europese richtlijnen wel en mogelijk niet direct per 18 april al toegepast dienen te worden.

Lees het volledige bericht

4 AIV CoR
Regio’s moeten structureler worden betrokken bij beleid op nationaal en EU-niveau

Regio’s hebben te weinig inspraak op zowel nationaal als Europees beleid. Dit zegt de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) in het advies over de verhouding tussen regio en de EU, dat zij op 11 maart 2016 publiceerde. Dit terwijl het belang van regio’s groeit. Het advies bevat elf aanbevelingen om de positie van regio’s in de Europese beleidsvorming te verbeteren.

Lees het volledige bericht

Online cursus ‘Regions, EU institutions and policy-making’

Het Europese Comité van de Regio’s zal op 19 oktober 2015 een online cursus ‘Regions, EU institutions and policy-making’ ter beschikking stellen. De cursus is bedoeld voor beleidsmakers op lokaal of regionaal niveau die zich met EU-zaken bezighouden. Echter kunnen ook andere geïnteresseerden gebruik van deze Massive Open Online Course (MOOC).
Lees het volledige bericht

Praktijk

Europabewustzijn
Voorbeelden van Europabewust/proof trajecten

Via de website van de VNG kunnen voorbeelden van (onderdelen van) gelopen Europa-proof trajecten binnen de gemeenten Bodegraven, Rotterdam, Almelo, Leeuwarden, Renkum, Den Haag, Schiedam en Utrecht worden ingezien. Decentrale overheden worden opgeroepen actief voorbeelden van eigen Euroabewusttrajecten aan te leveren, bijvoorbeeld via Europa decentraal, om die informatie te delen met andere overheden en om elkaar te inspireren.

Voorbeelden van beleidsmatig Europabewustzijn

Europabewustzijn betekent ook dat decentrale overheden zich richten op de kansen die het Europese beleid en Europese beleidinstrumenten zoals Europese regelgeving, netwerken en subsidies bieden om de decentrale beleidsdoelstellingen te realiseren. Om beleidsmatig Europabewust te worden zijn er 3 stappen in beleidsdoelstellingen en -instrumenten te onderscheiden. Deze worden in de EUREKAart beschreven.

Naast deze stappen volgen (zie EUREKAart) enkele praktijkvoorbeelden waarin stapsgewijs decentrale beleidsdoelstellingen aan Europese doelstellingen worden gekoppeld en beleidsinstrumenten worden gebruikt ter realisatie van deze decentrale doelstellingen. U kunt deze voorbeelden gebruiken ter inspiratie voor ook het beleidsmatig Europeesbewust denken binnen uw organisatie. U wordt van harte uitgenodigd uw eigen praktijkvoorbeelden via deze aanzet bij Europa decentraal aan te leveren om elkaar verder te inspireren.

Praktijkvragen

Wat is het verschil tussen de Europese Agenda Stad en de Agenda Stad?
Op 1 januari 2016 is het Nederlandse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie begonnen. Het is in ieder geval duidelijk dat er door Nederland tijdens dit voorzitterschap een focus zal liggen op de zogenoemde Europese Agenda Stad. Onlangs kreeg ik hierover een vraag van een gemeentelijke collega: Is er een verschil tussen de Europese Agenda Stad en de Agenda Stad, en zo ja wat is dit verschil dan?

Bekijk het antwoord

Hoe werken de expertgroepen van de Europese Commissie en welke bestaan er?
Ik hoorde dat een collega binnen mijn provincie lid is van een zogenaamde ‘expertgroep’ van de Europese Commissie. Wat zijn expertgroepen precies en wie worden daarin afgevaardigd? Zou ik zelf bijvoorbeeld ook lid kunnen worden van een expertgroep? Bestaat er ook een overzicht van de verschillende bestaande expertgroepen?

Bekijk het antwoord

Mag de gemeente overlast veroorzakende duiven vangen en doden?
In onze gemeente kampen wij met een groot duivenprobleem. Wij hebben vastgesteld dat de duivenpopulatie de afgelopen jaren is verdrievoudigd. Ten einde de overlast te verminderen, voelen wij ons helaas genoodzaakt een aantal duiven te vangen en uiteindelijk ook om te brengen. Staat de Europese Vogelrichtlijn, die in Nederland is geïmplementeerd in de Flora- en faunawet, hieraan mogelijk in de weg of is dit toegestaan?

Bekijk het antwoord

Hoe komen decentrale Europese werkprogramma’s tot stand?
Het onlangs gepubliceerde werkprogramma van de Europese Commissie voor 2015 bevat wetgevingsinitiatieven die ons als waterschap raken. Is er meer informatie beschikbaar over hoe de decentrale belangen hierbij worden behartigd zodat wij ons Europabeleid hierop af kunnen stemmen? En is al bekend op welke dossier de koepelorganisaties inzetten bij de behartiging van decentrale belangen?

Bekijk het antwoord

Zijn Europese staatssteunregels ook van toepassing op steun van overheden van buiten de EU?
Onze gemeente heeft klachten ontvangen van enkele ondernemingen omdat andere bedrijven financiële steun krijgen van overheden buiten de EU. Zij menen dat dit indruist tegen de Europese staatssteunregels. Klopt het dat deze regels bij steun van buiten de EU ook van toepassing zijn?
En hoe zit dat met de andere Europese interne marktregels, als er een overheid of ondernemingen van buiten de EU betrokken zijn?

Bekijk het antwoord

Moet bij de beoordeling van een redelijke termijn voor bestuursrechtelijke procedures ook de prejudiciële procedure voor het Hof worden meegenomen?
De redelijke termijn voor bestuursrechtelijke procedures is bepaald op vier jaar. Als gemeente zijn wij vaak partij in bestuursrechtelijke procedures die doorlopen tot de Raad van State en waarin soms ook prejudiciële vragen bij het Europese Hof worden gesteld. Moet de duur van de prejudiciële procedure bij het Europese Hof van Justitie ook in beschouwing worden genomen bij deze vier jaar?

Bekijk het antwoord

Zijn Europese regels en subsidies toepasbaar op de Nederlandse Antillen?
Onze gemeente heeft banden met de voormalige Nederlandse Antillen en wil op één van die eilanden een project steunen voor de aanleg van rioolbuizen. Kan dit eiland, als bijzondere Nederlandse gemeente, aanspraak doen op Europees subsidiegeld? En zijn de Europese regels bijvoorbeeld over staatssteun en aanbesteden op deze eilanden van toepassing?

Bekijk het antwoord

Kan onze gemeente beroep instellen tegen een rechtshandeling van de Commissie?
Kunnen wij als gemeente zelf beroep instellen tegen handelingen van de Europese Commissie of kan dit alleen door een lidstaat worden gedaan? Meer specifiek vragen wij ons af of wij een besluit (voorheen: beschikking) van de Commissie nietig kunnen laten verklaren wanneer wij denken dat de Commissie met dit besluit het Europese recht schendt?

Bekijk het antwoord

Geeft het werkprogramma 2014 van de Commissie meer duidelijkheid over de nieuwe structuurfondsen?
Ja, het werkprogramma 2014 biedt nadere informatie over de structuurfondsen. Het Werkprogramma 2013 noemde al een aantal niet wetgevende initiatieven op het gebied van (structuur)fondsen. Deze waren nog niet allemaal dermate concreet dat ze duidelijkheid brachten over de concrete invulling van de fondsen in de nieuwe periode.

Bekijk het antwoord

Procedures

Aansprakelijkheid decentrale overheid
Inbreukprocedure

Als de Commissie van oordeel is dat er een inbreuk kan zijn gepleegd op het Europees recht die de inleiding van een inbreukprocedure rechtvaardigt:

– stuurt zij een schriftelijke aanmaning aan de betreffende lidstaat met het verzoek zijn opmerkingen tegen een bepaalde datum mede te delen, meestal binnen een periode van twee maanden.

– in het licht van het antwoord of van de afwezigheid daarvan door de betreffende lidstaat, kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies (laatste schriftelijke aanmaning) aan de lidstaat te zenden. In dit advies worden de redenen waarom de Commissie van mening is dat er een inbreuk gepleegd is op het Europees recht duidelijk en definitief uiteengezet en wordt de lidstaat binnen een bepaalde termijn van meestal twee maanden gevraagd zijn verplichtingen na te komen.

– als de lidstaat geen gevolg geeft aan het met redenen omkleed advies, kan de Commissie de zaak voor het Europees Hof van Justitie brengen. Na een eventuele veroordeling door het Hof is het aan de veroordeelde lidstaat zelf om een einde te maken aan de schending van het EG-recht. Het Hof kan een maatregel van een lidstaat niet vernietigen, maar kan alleen een boete of een dwangsom opleggen.

Vaststelling Europees recht en beleid
De gewone wetgevingsprocedure

Ook wel medebeslissingsprocedure of codecisieprocedure genoemd.

Bij deze procedure deelt het Europees Parlement de wetgevende bevoegdheid met de Raad. De Commissie stuurt haar voorstel naar beide instellingen. Zij lezen en bespreken het allebei twee opeenvolgende keren (eerste en tweede lezing). Bij onenigheid tussen beide instellingen wordt het voorstel in de zogenaamde conciliatiefase aan een ‘bemiddelingscomité’ voorgelegd. Zodra dit comité binnen een bepaalde periode tot een akkoord is gekomen, wordt de gemeenschappelijke ontwerptekst naar het Parlement en de Raad gestuurd voor een derde lezing, zodat zij het definitief kunnen goedkeuren.

De volgende terreinen vallen onder meer onder de gewone wetgevingsprocedure:

– DAEB (artikel 14 VWEU);
– Recht op toegang tot documenten (aritkel 15 VWEU);
– Non-discriminatie op grond van nationaliteit (artikel 18VWEU);
– Stimuleringsmaatregelen ter bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, ras, etnische afstamming, godsdienst, overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (artikel 19 lid 2 VWEU);
– Vrijheid van verkeer en verblijf (artikel 21 VWEU);
– Vrij verkeer van werknemers (artikel 46 VWEU);
– Sociale zekerheid voor vrij verkeer werknemers (artikel 48 VWEU);
– Recht van vestiging (artikel 50 VWEU);
– Vrij verrichten van diensten (artikel 56 VWEU);
– Justitiele samenwerking in burgerlijke en strafzaken (artikel 81 en 82 VWEU);
– Politiele samenwerking (artikel 87 VEU);
– Vervoer (artikel 91 VWEU);
– Stimuleringsmaatregelen werkgelegenheidsbeleid (artikel 149 VWEU);
– Douanesamenwerking (artikel 33 VWEU);
– Bestrijding van sociale uitsluiting en gelijke behandeling mannen en vrouwen (artikel 153 VWEU);
– Uitvoeringsbesluiten betreffende het Europees Sociaal Fonds (artikel 164 VWEU);
– Onderwijs en sport (artikel 165 VWEU);
– Beroepsopleiding (artikel 166 VWEU);
– Cultuur (artikel 167 VWEU);
– Volksgezondheid (artikel 168 VWEU);
– Consumentenbescherming (artikel 169 VWEU);
– Trans-Europese netwerken (artikel 172 VWEU);
– Uitvoeringsbesluiten betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (artikel 178 VWEU);
– Onderzoek (artikel 182 VWEU);
– Milieu (artikel 192 VWEU);
– Energie (artikel 194 VWEU);
– Toerisme (artikel 195 VWEU);
– Civiele bescherming (artikel 196 VWEU);
– Administratieve samenwerking (artikel 197 VWEU);
– Ontwikkelingssamenwerking (artikel 209 VWEU);
– Humanitaire hulp (artikel 214 VWEU);
– Voorkomen en bestrijden van fraude (artikel 325 VWEU);
– Statistieken (artikel 338 VWEU).

De bijzondere wetgevingsprocedure

De bijzondere wetgevingsprocedure wordt niet zoals de gewone wetgevingsprocedure in artikel 294 VWEU stapsgewijs beschreven. Wel geeft artikel 289 lid 2 VWEU aan: ‘In de bij de Verdragen bepaalde specifieke gevallen bestaat een bijzondere wetgevingsprocedure in de vaststelling van een verordening, een richtlijn of een besluit door het Europees Parlement met deelname van de Raad, of door de Raad met deelname van het Europees Parlement’.’

De meeste verdragsbepalingen die een bijzondere wetgevingsprocedure benoemen (neem bijvoorbeeld de artikelen 19 lid 1, 22 t/m 25 en 114 t/m 118 VWEU) zien op de tweede variant in artikel 289 en geven de Raad de beslissingsbevoegdheid (en het Parlement keurt dan bijvoorbeeld goed of wordt geraadpleegd door de Raad). Soms worden in de aangewezen bijzondere wetgevingsprocedure bijzondere vereisten aangaande unanieme besluitvorming/eenparigheid van stemming in de Raad meegenomen of andere bijzondere procedure eisen (neem bijvoorbeeld in artikel 311 VWEU het vereiste van goedkeuring van het besluit van de Raad door lidstaten).

Onder meer de volgende terreinen vallen onder een bijzondere wetgevingsprocedure:

– Passende maatregelen om discriminatie op grond van geslacht, ras, etnische afstamming, godsdienst, overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden (artikel 19 lid 1 VWEU);
– Actief en passief kiesrecht (artikel 22 VWEU);
– Bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties (artikel 23 VWEU);
– Taken Europese Centrale Bank (artikel 127 VWEU);
– Eenvormige verkiezingsprocedure voor het Europees Parlement (artikel 223 VWEU);
– Bepaalde internationale overeenkomsten (artikel 216 ev. VWEU);
– Vaststelling stelsel van eigen middelen van de Unie (artikel 311 VWEU);
– Vaststelling verordening meerjarig financieel kader (artikel 312 VWEU).

Overige procedures

Er gelden aparte procedures voor onder meer:

– Vaststelling van de begroting (artikel 314 VWEU; bijzondere wetgevingsprocedure onder bijzondere bepalingen); en
– Het sluiten van bepaalde internationale overeenkomsten door de EU (artikel 218 VWEU).

Publicaties

Netwerken
Publicatie VNG over deelname aan Europese netwerken

Kennis plus kennis is nog meer kennis, dit is een van de voordelen van deelname aan Europese netwerken. Deze praktische handleiding moet andere gemeenten op weg helpen. De belangrijkste redenen voor deelname aan netwerken zijn:
– Het opdoen van nieuwe ideeën;
– Contact maken met partners voor een project;
– Beleidsbeïnvloeding en kennis van subsidiemogelijkheden
– Het profileren van de gemeente op het Europese niveau

Uit dit lijstje is dus af te leiden dat een deelname aan Europese kennisnetwerken dan wel iets anders is dan lobbyen. En wie dicht bij het Europese vuur zit, kan zich mogelijk warmen aan subsidies. De publicatie besluit met een bijlage die de belangrijkste thema’s van de netwerken op een rij zet.

Zie hier de VNG publicatie Europese kennisnetwerken: voor uw gemeentelijke prioriteiten.

Wet- en regelgeving

Bronnen Europees recht en beleid

De samenwerking in het kader van de Europese Unie is gebaseerd op Verdragen. Het nieuwe Hervormingsverdrag (Lissabon), dat op 1 december 2009 in werking is getreden, is het huidig geldende EU-Verdrag en bestaat uit het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Het Verdrag van Lissabon wijzigt de tot dan toe bestaande Verdragen. In het document Verdrag van Lissabon leest u de belangrijkste wijzigingen die het Verdrag in het algemeen met zich mee brengt. In het document Decentrale overheden en het Verdrag van Lissabon leest u over de veranderingen die het Verdrag voor decentrale overheden heeft gebracht.

Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het verdrag van Lissabon (VEU/VWEU) zijn diverse Europese Verdragen vastgesteld. Hieronder vindt u de voornaamste:

De Europese Verdragen
Verdrag van Nice

Het Verdrag van Nice (in werking getreden op 1 februari 2003) had voornamelijk tot doel de instellingen te hervormen met het oog op een efficiënte werking van de Unie na de uitbreiding tot 25 lidstaten. Het Verdrag van Nice, het voormalige EU-Verdrag en het EG-Verdrag zijn samengevoegd in één geconsolideerde versie.

Verdrag van Amsterdam

Door het Verdrag van Amsterdam (in werking getreden op 1 mei 1999) werden de EU- en EG-Verdragen gewijzigd en hernummerd. Geconsolideerde versies van de EU- en EG-Verdragen zijn aan het Verdrag van Amsterdam toegevoegd. De letters A tot S waarmee de artikelen van het Verdrag betreffende de Europese Unie werden aangeduid, werden bij het Verdrag van Amsterdam vervangen door artikelnummers.

Verdrag betreffende de Europese Unie

Bij het Verdrag betreffende de Europese Unie (‘Verdrag van Maastricht’, in werking getreden op 1 november 1993) werd de benaming Europese Economische Gemeenschap (EEG) gewijzigd in ‘Europese Gemeenschap’ (EG). Bij het Verdrag van Maastricht zijn ook nieuwe vormen van samenwerking tussen de regeringen van de lidstaten ingevoerd, bijvoorbeeld op het gebied van ‘justitie en binnenlandse zaken’. Door de toevoeging van deze intergouvernementele samenwerking aan het bestaande ‘gemeenschapssysteem’, heeft het Verdrag van Maastricht een nieuwe politieke en economische structuur gecreëerd met drie ‘pijlers’. Dit is de Europese Unie (EU).

Europese Akte

De Europese Akte (in werking getreden op 1 juli 1987) regelde de aanpassingen die nodig waren voor de voltooiing van de interne markt.

Fusieverdrag

Het Fusieverdrag (in werking getreden op 1 juli 1967) zorgde ervoor dat er één enkele Commissie en één enkele Raad kwamen voor de drie Europese Gemeenschappen die er toen waren.

Verdrag van Rome

Het Verdrag van Rome, tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG), trad op 1 januari 1958 in werking. Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) werd samen met het EEG-Verdrag op 25 maart 1957 in Rome ondertekend. Deze verdragen worden vaak aangeduid als ‘de Verdragen van Rome’.

Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) trad op 23 juli 1952 in werking en verstreek op 23 juli 2002.

De oprichtingsverdragen zijn verscheidene malen gewijzigd, in het bijzonder naar aanleiding van de toetreding van nieuwe lidstaten. Dit was het geval in 1973 (Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk), 1981 (Griekenland), 1986 (Spanje, Portugal), 1995 (Oostenrijk, Finland en Zweden), 2004 (Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slowakije, Slovenië en Tsjechië) en 2007 (Bulgarije en Roemenië).

Overige Verdragen
Handvest

In artikel 6 van het VEU wordt aangegeven dat de Unie de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2007 (aangepast op 12 december 2007 te Straatsburg) erkent. Dit Handvest heeft dezelfde juridische waarde als de Verdragen, maar de bepalingen van het Handvest houden geenszins een verruiming in van de bevoegdheden van de Unie zoals bepaald bij de Verdragen. Het Handvest ziet met name op bescherming van sociale rechten van werknemers, bescherming van gegevens, bio-ethiek en het recht op behoorlijk bestuur.

Het EU-Handvest van de Grondrechten geldt niet alleen voor de EU-instellingen. Het geldt ook voor de EU-lidstaten, maar uitsluitend als zij “het recht van de Unie ten uitvoer brengen”. Uit conclusies van Advocaten-Generaal blijkt dat er bij deze adviseurs van het Hof van de EU onduidelijkheid heerst over de uitleg van deze omschrijving.

EVRM

Daarnaast geeft artikel 6 VEU aan dat de Unie toetreedt tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De grondrechten zoals zij worden gewaarborgd door het EVRM maken als algemene beginselen deel uit van het recht van de Unie. Het EVRM ziet vooral op de bescherming van burgerlijke en politieke rechten.

Zie voor meer informatie

Website van Europa over EU-Verdragen
Nieuwsbericht ‘Reikwijdte EU-Handvest Grondrechten nog onduidelijk’