Milieu en klimaat

Op bijna alle subterreinen van milieu heeft Europa beleid en regelgeving opgesteld waaraan decentrale zich moeten houden. Deze wetgeving bestaat vaak uit richtlijnen die geïmplementeerd zijn in nationale wetgeving.

Rol gemeenten, provincies en waterschappen

Gemeenten, provincies en waterschappen hebben een grote rol in de praktische uitwerking van Europees beleid. Zij ontwikkelen namelijk op basis hiervan beleidskaders, geven vergunningen uit en zien toe op de handhaving. Ook kunnen zij subsidies inzetten als sturingsinstrument. In sommige gevallen is dit in de vorm van staatssteun. Het is dus belangrijk dat gemeenten, provincies en waterschappen goed op de hoogte zijn van Europese regels.

Bevoegdheid EU

Op basis van art. 190, 191 en 192 VWEU kan de EU op alle terreinen optreden waar milieubeschadiging voorkomt. Hierdoor is de Europese milieuregelgeving inmiddels omvangrijk en ingrijpend. De bevoegdheid van de EU wordt begrensd door het subsidiariteitsbeginsel en het vereiste van unanieme steun van de lidstaten voor gemeenschappelijke actie op sommige beleidsterreinen.

De EU2020 strategie

De EU heeft in 2010 de lange termijn strategie (EU2020 strategie) voor de periode 2010 tot 2020 gepresenteerd. Deze is gericht op duurzame ontwikkeling van werkgelegenheid, economie en het milieu. Wat betreft milieu zijn de volgende 20/20/20-doelstellingen vastgesteld:

  • De uitstoot van broeikasgassen moet 20% lager zijn ten opzichte van 1990;
  • De energie-efficiëntie moet 20% hoger zijn;
  • 20% van de energie moet duurzaam worden opgewekt.

Deze doelen zijn vertaald in doelen per lidstaat, om zo in hun verschillende capaciteiten de doelen te halen.

Milieu Actie Programma

Elke tien jaar worden de globale milieudoelen van de EU uitgewerkt in Milieu Actie Programma’s (MAP’s). MAP6 liep van 2002 tot medio 2012. Op dit moment werkt de Europese Commissie aan MAP7. Op 1 juni 2012 was de openbare consultatie van de Commissie hierover afgelopen. MAP’s worden bijvoorbeeld verder uitgewerkt door:

  • Het aannemen van nieuwe richtlijnen;
  • Het beter handhaven van bestaande regelgeving;
  • Het uitvoeren van onderzoek;
  • Het organiseren van betere afstemming tussen (decentrale) overheden.
Werkprogramma Europese Commissie

De prioriteiten van de Commissie voor 2016 staan in dit werkprogramma. Een van de doelstellingen in 2016 is de implementatie van het Klimaat- en Energiepakket 2030. Om dit te bereiken komt de Commissie met een pakket maatregelen ter bevordering van de Energie-Unie. Hierin staan het verminderen van fossiele brandstoffen, het minder afhankelijk worden van buitenlandse leveranciers en het reduceren van CO2-uitstoot centraal.

GLB

Het Europees milieubeleid heeft invloed op het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en ruimtelijke ordening. Het GLB is in 1958 opgezet om Europese voedseltekorten op te lossen. Dit werkte zo goed dat het uiteindelijk leidde tot voedseloverschotten. De Commissie presenteerde in 2011 voorstellen om het GLB te herzien. Deze voorstellen zijn in juni 2013 aangenomen.

Natuurbehoud en verbetering landschap

Natuurbehoud en verbetering van het landschap staan centraal in het GLB. Decentrale overheden zijn dan ook op vele manieren betrokken bij landbouw- en plattelandsontwikkeling. Provincies zijn bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de implementatie van het natuur-, landschap- en biodiversiteitsbeleid. Tegelijkertijd moeten zij de regionale economie stimuleren. Sinds 2008 werken de provincies samen aan biodiversiteitprojecten waarin economische aspecten volop aanwezig zijn.

Beleid

Afvalstoffen beleid

Het doel van het Europese afvalbeleid is vermindering van negatieve milieueffecten die afvalstoffen gedurende de volledige levenscyclus (van productie, recycling tot verwijdering) veroorzaken.

Doelstellingen hergebruik

In 2020 moet 50% van al het papier, metaal, glas en soortgelijken voorwerpen in Europese huishoudens worden gerecycled. Nu is dat 27%. Ook moet dan 70% van het ongevaarlijke bouw- en sloopafval worden gerecycled.

Nederlands afvalbeleid

Preventie staat voorop in het Nederlandse afvalbeleid. Als afval toch ontstaat, moet het een nuttige toepassing krijgen. Lukt dit niet, dan wordt afval verwijderd door verbranding of storting. Met milieuvergunningen kunnen gemeenten en provincies eisen stellen aan afvalscheiding en –preventie.

Staatssteun

Overheden mogen onder voorwaarden ondernemingen financieel steunen om milieumaatregelen mogelijk te maken. Er kan gerekend worden op staatssteun, wanneer:

– Afvalproducenten en -ondernemingen afval van andere ondernemingen beheren of hergebruiken;
– De kosten van sanering van verontreinigde terreinen hoger zijn dan de daaruit voortvloeiende waardevermeerdering van het terrein.

Tot € 200.000,= is steun verlenen relatief eenvoudig, er kan gebruik gemaakt worden van de De-minimisverordening. Voor hogere bedragen moet gekeken worden naar de AGVV en de Richtsnoeren voor milieusteun.

Bioafvalbeheer

Het Europese beleid is onder andere neergelegd in het Groenboek Beheer bioafval. Er wordt ingegaan op beleidsinstrumenten waarmee bioafvalbeheer verbeterd kan worden. De Commissie houdt rekening met de afvalhiërarchie en de potentiële economische, sociale en milieubaten.

Ontwikkeling beleid

Het Groenboek werd in 2010 gevolgd door een effectrapportage van de mogelijkheden om het bioafvalbeleid te verbeteren en de Mededeling Toekomst bioafvalbeheer. In navolging op de mededeling vond begin 2011 een publieke consultatie plaats over het ontwerpen van doelstellingen voor bioafvalbeheer. Dit leidde tot een haalbaarheidsonderzoek naar recycledoelstellingen.

De Commissie heeft het beheer van bioafval ook onder de loep genomen tijdens de herziening van de thematische strategie over afvalpreventie en recycling in 2010. Deze strategie is een onderdeel van het 6e Milieu Actie Programma (MAP).

Chemische stoffen

Prioritaire stoffen brengen vanwege hun gevaareigenschappen, emissies en mate van voorkomen een meer dan verwaarloosbaar risico voor de mens en milieu met zich mee. De lijst van prioritaire stoffen is vastgesteld in het Besluit prioritaire stoffen. Deze lijst moet echter wel door de Commissie getoetst blijven worden.

Kaderrichtlijn water

Dit besluit is als bijlage X in de Kaderrichtlijn Water opgenomen. Verder is deze lijst ook opgenomen in de Richtlijn Prioritaire stoffen.

Wijziging richtlijnen

De richtlijn Prioritaire Stoffen is gewijzigd door de nieuwe Richtlijn prioritaire stoffen, gepubliceerd op 24 augustus 2013. Deze Richtlijn dient voor 14 september 2015 door Nederland geïmplementeerd te zijn. De consequentie van deze implementatie is dat het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009 gewijzigd zal worden.

CO2 reductie

De reductie van de CO2 uitstoot met 20% in de EU is onderdeel van de EU 20/20/20 strategie. Op Europees niveau is voor een aantal sectoren een CO2 emissie handelssysteem opgezet, het EU-ETS. Niet alle sectoren vallen daaronder. De sectoren die daar niet onder vallen hebben wel een taakstelling om de CO2 uitstoot te verminderen. Op Europees niveau is vastgesteld hoe de totale CO2 reductie over de lidstaten wordt verdeeld.

Zie ook

Emissiehandel
Hernieuwbare energie, beleid

Duurzaam aanbesteden en inkopen beleid
Ecodesignrichtlijn

De Europese Commissie wil het energieverbruik van producten verminderen en de milieuprestaties tijdens hun levenscyclus verbeteren. De vraag naar en de consumptie van kwalitatief hoogwaardigere producten wilt de Commissie ook stimuleren. Via de volgende maatregelen moeten deze doelen worden bereikt:

– Uitbreiding reikwijdte Ecodesignrichtlijn naar alle energiegerelateerde producten;
– Uitbreiding van de reikwijdte van de Richtlijn voor Energie-etikettering;
– Promotie van duurzaam aanbesteden.

Energie-etiketteringrichtlijn

Door de Energie-etiketteringrichtlijn moeten fabrikanten van huishoudelijke apparaten hun producten voorzien van een energielabel. De richtlijn houdt rekening met de technologische vooruitgang door het grotendeels afschaffen van eht energielabel E, F en G. De energieklassen A+, A++ en A+++ worden geïntroduceerd.

Duurzaamheid

Duurzaamheid is een doelstelling van de EU die vastgelegd is in onder andere artikel 3 VWEU. Deze doelstelling geeft richting aan alle beleidsmaatregelen en activiteiten van decentrale overheden. Om deze Europese duurzaamheidambities waar te maken, moeten decentrale overheden duurzaamheidoverwegingen integreren in verschillende beleidsterreinen.

Ontwikkeling duurzaam beleid

In 1997 werd duurzame ontwikkeling als doelstelling opgenomen in het Verdrag van Amsterdam. In 2001 werd de eerste strategie voor duurzame ontwikkeling ontwikkeld: de Gothenburg strategie. In 2006 werd deze herzien en aangenomen onder de naam Europese Strategie voor Duurzame Ontwikkeling (SDS). Duurzame ontwikkeling is daarnaast een kerninitiatief van de EU2020 strategie.

Europese Strategie duurzame ontwikkeling

De SDS is een langetermijnvisie. Het doel is het identificeren en ontwikkelen van duurzame ontwikkelingsacties, zodat de levenskwaliteit van burgers verbetert. De EU wil zo gemeenschappen creëren die het milieu beschermen en economische vooruitgang garanderen. Er moet door iedereen, van gemeente tot individu, rekening gehouden worden met duurzaamheid.
In 2013 heeft de Europese Commissie een rapport uitgebracht waar zij de SDS evalueert. De voortgang van de gestelde doelen wordt besproken. Er kan geconcludeerd worden dat er in het algemeen een vooruitgang is geboekt in de gestelde doelen tussen 2000 en 2012.

Energieakkoord voor duurzame groei

Het energieakkoord is een energie- en klimaatbeleid voor de periode tot 2030. Verschillende organisaties hebben dit akkoord gesloten, waaronder rijksoverheid, IPO, VNG en de Unie van Waterschappen om samen deze doelstellingen na te streven. Het akkoord streeft om grote stappen te zetten richting een energievoorziening die in 2050 volledig klimaatneutraal is.

Energie-efficiëntie gebouwen

Beleid Duurzaamheid
Beleid Hernieuwbare energie

Hernieuwbare energie

Het Europese energiebeleid is erop gericht de werking van de energiemarkt en de continuïteit van de energievoorziening te waarborgen. Daarnaast wordt de samenwerking tussen energienetwerken bevorderd.

Voor decentrale overheden is de stimulerende rol van de EU op het gebied van energie-efficiëntie, energiebesparing en de ontwikkeling van nieuwe en duurzame energie van belang.

EU2020

Het kerninitiatief ‘Efficiënt gebruik van hulpbronnen’ moet bijdragen aan de volgende punten:

– Loskoppeling economische groei van het gebruik van hulpbronnen;
– Bevordering van de overgang naar een koolstofarme economie;
– Opvoering van hernieuwbaar energiegebruik;
– Moderniseren van de vervoersector;
– Grotere energie-efficiëntie.

20/20/20-doelstellingen

De Commissie heeft de volgende 20/20/20-doelstellingen wat betreft klimaat en energie gesteld:

– De uitstoot van broeikasgassen moet 20% lager zijn ten opzichte van 1990;
– De energie-efficiëntie moet 20% hoger zijn;
– 20% van de energie moet duurzaam worden opgewekt.

Beleidsdocumenten

Recent verschenen beleidsdocumenten van de Commissie op gebied van duurzame energie, zijn:

Energie Roadmap: Met plannen en oplossingen om de CO2-uitstoot in 2050 met 80% te verminderen ten opzichte van 1990. Er staan onder andere tussentijdse doelen in;
Roadmap voor een energie-efficiënt Europa: Een wegwijzer voor een duurzame economie, met een stappenplan voor concurrentievermogen en –groei, gebaseerd op een lager energieverbruik;
Roadmap energietransitie 2050: De visie van de Commissie op energietransitie. Om de CO2-uitstoot in 2050 te verminderen, zet de Commissie in op de uitbouw van duurzame energie, CCS en kernenergie.

Decentraal belang

Volgens de ‘Roadmap energietransitie’ worden duurzame overheidsaanbestedingen gestimuleerd. EU-subsidies worden medeafhankelijk van duurzaamheidcriteria en worden meer gericht op grensoverschrijdende ‘groene’ onderzoek- en ontwikkelingsprojecten. Daarnaast worden (decentrale) overheden gestimuleerd om de meest grondstofvriendelijke producten en diensten te kopen en worden bedrijven gestimuleerd dit aan te bieden.

Kernenergie

Kernenergie zorgt voor ongeveer eenderde van de elektriciteitsproductie en tweederde van de koolstofloze productie in de EU. In 2010 kreeg kernenergie veel aandacht van de Europese Commissie, onder andere in de Mededeling ‘Energie 2020: een strategie voor een concurrerende, duurzame en continu geleverde energie’.

Doelen Commissie

Lidstaten bepalen zelf of zij gebruik willen maken van kernenergie. De Commissie neemt zich voor het wetgevingskader voor nucleaire veiligheid te versterken. Zo wil de EU haar leidersrol op het gebied van veilige kernenergie handhaven en bijdragen aan een verantwoord gebruik van kernenergie wereldwijd. Hiertoe zal de Commissie:

– De uitvoering van de Richtlijn nucleaire veiligheid tussentijds evalueren;
– De basisnormen voor de bescherming van de werknemers en de bevolking herformuleren;
– Een voorstel doen voor een Europese aanpak voor aansprakelijkheidsregelingen bij nucleaire incidenten en ongevallen;
– Actief streven naar harmonisatie op internationaal niveau van het ontwerp en de certificatie van nieuwe kerncentrales.

Stresstests

Als reactie op de kernramp in Fukushima Japan nam de EU actie en stemde in met het testen van alle 143 kerncentrales in Europa. De tests vonden plaats op vrijwillige basis en waren voor alle centrales hetzelfde. Nationale autoriteiten nemen eventueel zelf maatregelen op basis van de resultaten van de stresstest. Lees hier de resultaten van de inmiddels afgeronde tests.

Euratom

De Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) vormt de basis van het Europese beleid voor kernenergie. Euratom is een internationale organisatie met als doel het bevorderen van vreedzame toepassingen van kernenergie. De bepalingen van het Euratom-Verdrag moeten op strikte wijze worden toegepast, voornamelijk wat de veiligheid betreft.

Klimaatadaptatie

Het Europees beleid voor Klimaatadaptatie is vastgelegd in het Witboek Klimaatadaptatie, de opvolger van het Groenboek Klimaatadaptatie. In het Witboek staan geen wetgevende voorstellen. Deze zijn wel in het EU werkplan 2010 opgenomen.

Doel Witboek Klimaatadaptatie

Het doel van het Witboek is om Klimaatadaptatie hoger op de agenda te zetten en te zorgen voor een coherente aanpak op institutioneel niveau in de EU. Het Witboek richt zich op:

– Het verhogen van ons begrip van klimaatverandering;
– Mogelijke aanpassingsmaatregelen;
– Hoe de aanpassing kan worden geïntegreerd in de belangrijkste EU-beleidsmaatregelen;
– De behoefte aan een mechanisme voor de uitwisseling van informatie over de gevaren en gevolgen van klimaatverandering en de beste praktijken op dit gebied;
– Voorstellen op het gebied van subsidiering van maatregelen;
– De noodzaak van solidariteit tussen lidstaten en regio’s.

Fasering

In het Witboek wordt een strategie gepresenteerd, waarmee de EU en EU-lidstaten zich kunnen voorbereiden op de gevolgen van klimaatverandering. De eerste fase loopt tot en met 2012 en legt de basis voor de voorbereiding van een brede aanpassingsstrategie van de EU voor 2013 en daarna.

Implementatie in Nederland

Een Witboek hoeft niet te worden geïmplementeerd. Wel zijn er beleidsprogramma’s zoals het nationaal programma ARK. Op basis van dit programma worden Nederlandse adaptatiemaatregelen ontwikkeld. Uit het ARK komt naar voren dat klimaatadaptatie in Nederland gebiedsgericht en integraal moet worden opgepakt. Zo kunnen maatwerkoplossingen worden gerealiseerd.

Standpunten

In de reactie van het Comité van de Regio’s op het Witboek Klimaatadaptatie staan de belangrijkste aandachtspunten voor decentrale overheden. Het Comité vindt dat lokale en regionale overheden moeten worden erkend als centrale actoren in de strijd tegen de schadelijke effecten van de klimaatverandering.

EU-strategie klimaatadaptatie

Op 16 april 2013 heeft de Commissie ook een EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering gepubliceerd. De strategie bestaat uit een mededeling en negen bijlagen. In de strategie zijn acties opgenomen gericht op het ondersteunen van lidstaten, regio’s en steden bij de integratie van klimaatadaptatie in hun beleid.
In de strategie staan 3 doelstellingen centraal:
– De EC zal alle lidstaten aanmoedigen en financiële middelen beschikbaar stellen om hen te helpen hun aanpassingscapaciteiten op te bouwen en maatregelen te nemen.
– In kwetsbare sectoren zoals de landbouw, de visserij maar ook in de infrastructuur wordt het gebruik van verzekeringen tegen rampen gestimuleerd.
– Besluitvorming wordt verbeterd door de kennis over de gevolgen van klimaatverandering te verbeteren. Het Europese klimaataanpassingsplatform (Climate-Adap) wordt verder ontwikkeld tot het centrale punt voor alle informatie over aanpassing aan klimaatverandering in Europa.

Rapportage adaptatieactiviteiten

Via de Monitoringsverordening zijn lidstaten verplicht te rapporteren over hun adaptatieactiviteiten. De Commissie zal in 2014 een scoreboard ontwikkelen op basis waarvan lidstaten worden beoordeeld. Mocht de voortgang in termen van kwaliteit en diepgang naar het oordeel van de Commissie onvoldoende zijn dan zal de Commissie in 2017 onmiddellijk overwegen om met een wettelijke regeling te komen.

In 2017 zal de Commissie rapporteren over de voortgang op basis van de rapportage door lidstaten, de jaarlijkse implementatierapporten voor de EU-fondsen en het 5e IPCC-rapport.

Mayors Adapt initiatief

Om steden te ondersteunen in deze aanpassing heeft de Europese Commissie het ‘Mayors Adapt’ initiatief opgezet. Steden die zich hierbij aansluiten dienen een bijdrage te leveren aan de algemene doelstelling van de EU aanpassing strategie door het ontwikkelen van een uitgebreide lokale adaptie strategie. Het initiatief van de Commissie biedt een platform voor decentrale overheden om bewustzijn van de noodzaak van aanpassing te verhogen, een grotere betrokkenheid omtrent klimaatverandering te realiseren en om een netwerk op te bouwen van steden in Europa die aanpassing aan de klimaatverandering hoog op de agenda hebben staan.

Urban Adaptation Support Tool

Als onderdeel van de ‘Mayors adapt’ heeft de Europese Commissie de Urban Adaption Support Tool ontwikkeld. Deze biedt kennis en praktische begeleiding aan decentrale overheden. De tool bestaat uit zes stappen die de gebruikers helpen met:
– Verkennen van risico’s en kwetsbaarheden voor het huidige en het toekomstige klimaat;
– Identificeren en beoordelen van aanpassingsopties;
– Het ontwikkelen en implementeren van een strategie of actieplan met betrekking tot de aanpassing aan de klimaatverandering;
– Het evalueren van de resultaten.
De tool belicht belangrijke kwesties om te overwegen bij de planning en uitvoering van een aanpassingsstrategie en biedt toegang tot relevante informatie en tools.

Jurisprudentie

Emissiehandel
HvJ EU, 8 september 2011. Europese Commissie tegen Nederland

Zaak C-279/08. De Nederlandse regeling voor de handel in stikstofdioxide (NOx-regeling) bevat staatssteun. De regeling is wel verenigbaar met de interne markt. Dat kwam uit de lange procedure bij het Europese Hof van Justitie, dat op 8 september uitspraak deed in deze zaak. Het Hof houdt hiermee de conclusie en goedkeuring van de Europese Commissie in 2003 (C-(2003)761) in stand. Wel zou Nederland wijzigingen van de regeling moeten aanmelden bij de Commissie.

De NOx-regeling
De NOx-regeling geldt voor grote industriële installaties met een capaciteit van meer dan 20 Megawatt thermische energie, dat zijn ongeveer 250 ondernemingen in Nederland. De Nederlandse regering stelt op grond van deze regeling vast hoeveel stikstofdioxide er maximaal mag worden uitgestoten door deze ondernemingen. Wanneer zo’n onderneming onder dit maximum blijft, mogen zij het overschot als emissierecht verkopen. De bedrijven die deze rechten verkopen, kunnen hiermee flinke winst maken. Bovendien kunnen ondernemingen aan een geldboete ontsnappen door emissierechten te kopen.

De Commissie stelde dat hier sprake was van staatssteun, maar keurde de regeling toch goed op basis van de uitzondering in het Verdrag. Nederland was het niet eens met de Commissie dat de regeling staatssteun bevat en stelde in 2003 beroep in bij het Gerecht van eerste aanleg.

Het Gerecht
Het Gerecht stelde dat er bij deze regeling sprake was van voordeel voor ondernemingen, omdat Nederland bewust afzag van staatsinkomsten. De ondernemingen kunnen de emissierechten onderling verhandelen, waardoor de rechten een marktwaarde krijgen. Daarnaast kunnen de ondernemingen de rechten op elk moment verkopen. Op deze manier vormt de regeling een voordeel voor de betrokken ondernemingen dat met staatsmiddelen is bekostigd.

Het Gerecht stelde echter dat er geen sprake was van staatssteun, omdat de regeling niet selectief is. De regeling zou op een objectief criterium voor NOx-emissies zijn gebaseerd. Ook zou de regeling gerechtvaardigd zijn vanuit het oogpunt van milieubescherming, gezien de hoge NOx-emissies van de betrokken ondernemingen.

De Commissie en Nederland waren het allebei niet met deze uitspraak eens en stelden beroep in bij het Europese Hof van Justitie. Nederland argumenteerde dat er geen sprake was van met staatsmiddelen bekostigd voordeel. De Commissie vond dat de maatregel wel selectief is en dat er wel sprake was van staatssteun.

Het Hof
Het Hof geeft de Commissie gelijk en concludeert dat er staatssteun is gemoeid met de NOx-regeling. Volgens het Hof moet gekeken worden naar de gevolgen van de regeling en niet naar de doelstelling, in dit geval milieu. Anders dan het Gerecht, vindt het Hof dat de regeling selectief is. De regeling levert een voordeel op voor een beperkte groep grote ondernemingen met een hoge uitstoot. De regeling geeft deze ondernemingen de mogelijkheid te kiezen tussen de kosten die ze willen dragen; interne bedrijfsvoeringkosten om emissies te beperken of de aankoop van emissierechten.

Net als de Commissie en het Gerecht is het Hof van mening dat er staatsmiddelen gemoeid zijn met de regeling. De overheid biedt via de regeling gratis verhandelbare emissierechten aan ondernemingen, terwijl Nederland de rechten zelf had kunnen veilen of verkopen. Nederland derft hiermee inkomsten. Nederland heeft volgens het Hof hiermee bewust afstand gedaan van staatsinkomsten.

HvJ EU, 26 mei 2011. Stichting Natuur en Milieu e.a. tegen College van Gedeputeerde Staten van Groningen en van Zuid-Holland

Gevoegde zaken C-165/09 t/m C-167/09. Bij de verlening van een individuele milieuvergunning voor industriële installaties hoeft geen rekening te worden gehouden met het nationale emissieplafond voor luchtverontreinigende stoffen. Dit stelde het Europese Hof van Justitie (HvJ) recent in een uitspraak over Nederlandse kolencentrales. Lidstaten zijn volgens de NEC-richtlijn wel verplicht voldoende maatregelen te treffen, zodat het nationale emissieplafond niet wordt overschreden. Voor decentrale overheden is deze uitspraak van belang omdat zij milieuvergunningen verlenen.

Nationale emissieplafonds in NEC-richtlijn
De Richtlijn Nationale Emissieplafonds (NEC-richtlijn) bevat Europese plafonds voor een aantal verzurende en luchtverontreinigende stoffen. Doel van de NEC-richtlijn is grootschalige luchtverontreiniging en verzuring in Europa terug te dringen, met het oog op bescherming van de menselijke gezondheid en van natuurwaarden.

Arrest
Op 26 mei 2011 gaf het HvJ in Luxemburg antwoord op een aantal prejudiciële vragen die de Raad van State in 2009 aan het Hof heeft gesteld. Deze vragen kwamen voort uit drie zaken waarin milieuvergunningen zijn verleend voor twee elektriciteitscentrales op de Maasvlakte in Rotterdam en een elektriciteitscentrale aan de Eemshaven in Eemsmond. De vergunningen zijn verleend door respectievelijk de provincies Zuid-Holland en Groningen.

Onder meer Greenpeace Nederland, de Stichting Natuur en Milieu en een aantal particulieren stelden beroep in tegen deze vergunningen. Volgens hen hadden de provinciebesturen bij de vergunningverlening rekening moeten houden met de nationale emissieplafonds voor luchtverontreinigende stoffen uit de Europese NEC-richtlijn. Door het verlenen van nieuwe vergunningen zouden deze emissieplafonds worden overschreden.

Een van de vragen die de Raad van State aan het Hof heeft voorgelegd is of en zo ja, in hoeverre, bij het beslissen op een aanvraag om een milieuvergunning rekening moet worden gehouden met de nationale emissieplafonds van de NEC-richtlijn.

Het Hof heeft uitgesproken dat een lidstaat bij vergunningverlening voor een industriële installatie niet verplicht is de nationale emissieplafonds uit de NEC-richtlijn als voorwaarde te betrekken in de beslissing. Wel moeten lidstaten zich volgens het Hof houden aan de verplichting uit de NEC-richtlijn om in het kader van nationale programma’s beleid op te stellen en maatregelen te nemen, die ‘in hun geheel genomen’ de emissies beperken en het nationale emissieplafond uit de NEC-richtlijn eind 2010 niet wordt overschreden.

Vervolg in Nederland
De Raad van State had de prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ om uitspraak te kunnen doen in de nationale zaak. Deze kan nu worden hervat. Tijdens de zitting krijgen de partijen de gelegenheid te reageren op de antwoorden van het Europese Hof. Daarna zal de Raad een uitspraak doen. Ook in andere zaken die bij de Raad lopen speelt de NEC-richtlijn een belangrijke rol.

Emissieplafonds
HvJ EU, 26 mei 2011. Stichting Natuur en Milieu e.a. tegen provincies Zuid-Holland en Groningen

Zaken C-165/09 t/m C-167/09. Op 26 mei 2011 gaf het Hof antwoord op vragen die de Raad van State in 2009 aan het Hof stelde. Het ging om het volgende:

Zuid-Holland heeft Rotterdam vergunningen verleend voor twee elektriciteitscentrales op de Maasvlakte, Groningen verleende hiervoor een vergunning voor de Eemshaven in Eemsmond.
Stichting Natuur en Milieu, Greenpeace Nederland en een aantal particulieren gingen hiertegen in beroep. De provinciebesturen hadden rekening moeten houden met de nationale emissieplafonds voor luchtverontreinigende stoffen. Door vergunningverlening zouden deze worden overschreden.

De Raad van State vroeg het Hof of en in hoeverre er bij vergunningverlening rekening gehouden moet worden met de nationale emissieplafonds van de NEC-richtlijn.

Uitspraak
Volgens het Hof is een lidstaat bij vergunningverlening voor een industriële installatie, niet verplicht de nationale emissieplafonds als voorwaarde te betrekken in de beslissing.

Lidstaten moeten zich wel aan de verplichting houden beleid op te stellen en maatregelen te nemen, die ‘in hun geheel genomen’ de uitstoot van gassen beperken en het nationale emissieplafond niet overschrijden. 

Industriële emissies jurisprudentie
HvJ EG. 20 mei 2009.  Commissie tegen België

Zaak C-271/07. Het Hof geeft de Commissie gelijk in haar bewering dat er in België sprake is van onvolledige en onjuiste uitvoering van de IPPC Richtlijn (96/61/EG).

Er is onvoldoende overeenkomst tussen de materiële werkingssfeer van de uitvoeringsmaatregelen en die van de richtlijn. Aan regionale instanties is er een te ruime beoordelingsvrijheid toegekend, op het gebied van de exploitatievergunningen en de omstandigheden waar de toetsing en bijstelling van de vergunningsvoorwaarden moeten worden verricht.

Luchtkwaliteit jurisprudentie
Hof van Justitie, 26 mei 2011. Stichting Natuur en Milieu e.a. tegen provincies Zuid-Holland en Groningen

Zaken C-165/09 t/m C-167/09. Op 26 mei 2011 gaf het Hof antwoord op vragen die de Raad van State in 2009 aan het Hof stelde. Het ging om het volgende:

Zuid-Holland heeft Rotterdam vergunningen verleend voor twee elektriciteitscentrales op de Maasvlakte, Groningen verleende hiervoor een vergunning voor de Eemshaven in Eemsmond.

Stichting Natuur en Milieu, Greenpeace Nederland en een aantal particulieren gingen hiertegen in beroep. Volgens hen hadden de provinciebesturen rekening moeten houden met de nationale emissieplafonds voor luchtverontreinigende stoffen. Door vergunningverlening zouden deze worden overschreden.

De Raad van State vroeg het Hof of en in hoeverre er bij vergunningverlening rekening gehouden moet worden met de nationale emissieplafonds van de NEC-richtlijn.

Uitspraak
Volgens het Hof is een lidstaat bij vergunningverlening voor een industriële installatie, niet verplicht de nationale emissieplafonds als voorwaarde te betrekken in de beslissing.

Lidstaten moeten zich wel aan de verplichting houden beleid op te stellen en maatregelen te nemen, die ‘in hun geheel genomen’ de uitstoot van gassen beperken en het nationale emissieplafond niet overschrijden.

Hof van Justitie, 6 november 2008. Europese Commissie tegen Nederland

Zaak C-405/07. De vraag was of Nederland zo’n groot probleem had met betrekking tot de luchtkwaliteit, dat Nederland mocht afwijken van de richtlijnen.

Uitspraak
Volgens het Hof heeft de Commissie onvoldoende onderzocht of de overschrijding van de grenswaarden zeer bijzonder waren in vergelijking met andere lidstaten. De beschikking van de Commissie waarin de Nederlandse maatregelen – de verplichte roetfilter – niet werden goedgekeurd, werden hierbij ook vernietigd. Dit betekent niet dat de verplichte roetfilter automatisch is toegestaan.

Hof van Justitie, 25 juli 2008. Dieter Janecek tegen Freistaat Bayern

Zaak C-237/07. Volgens het Hof kunnen particulieren zich tegenover de overheid beroepen op onvoorwaardelijke en voldoende duidelijke bepalingen van een richtlijn (zaak 148/78, Ratti). Ook richtlijnbepalingen waarin grenswaarden zijn neergelegd, ter bescherming van de volksgezondheid, kunnen rechtstreeks werken.

De Duitse Janecek (politicus voor de Groenen) woonde op de middelste ringweg van München. Dit was nabij een meetstation voor luchtkwaliteit. De emissiegrenswaarde voor fijnstof werd er regelmatig overschreden. Janecek wilde dat de deelstaat Beieren een actieplan zou opstellen. Hierin moest worden vastgelegd, dat op korte termijn maatregelen zouden worden genomen om deze luchtvervuiling tegen te gaan. Hij beriep zich op Richtlijn 96/62/EG (nu Richtlijn 2008/50/EG) over de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit.

De Duitse rechter vroeg het Hof of iemand wiens gezondheid wordt aangetast door overschrijding van grenswaarden, op basis van art. 7 lid 3, het recht wordt toegekend op het opstellen van een dergelijk actieplan.

Uitspraak
Het Hof antwoordde bevestigend. Als de vereiste maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid niet worden nageleefd, kan dit gevaar opleveren voor personen. In dat geval moeten betrokkenen zich kunnen beroepen op de dwingende voorschriften van de richtlijnen inzake lucht- en drinkwaterkwaliteit. Particulieren die rechtstreeks worden getroffen, moeten kunnen bewerkstelligen dat de bevoegde nationale autoriteiten een actieplan opstellen, als bedoeld in Richtlijn 96/62/EG. Eerder bepaalde het Hof dit al in de zaak Commissie tegen Duitsland (zaak C-59/89) in 1991.

De Duitse rechter vroeg ook of de richtlijn nationale autoriteiten verplicht tot het uitvaardigen van maatregelen waardoor op korte termijn de grenswaarde wordt bereikt, of maatregelen die zorgen voor een geleidelijke verbetering.

Uitspraak
Lidstaten beschikken in dit kader over een beoordelingsmarge, zo antwoordde het Hof. Toch stelt art. 7 lid 3 Richtlijn 96/62/EG grenzen uit de uitoefening hiervan. Lidstaten moeten, binnen het kader van het actieplan en op korte termijn, maatregelen nemen om het risico van overschrijding van de grenswaarden of alarmdrempel, tot een minimum te beperken en geleidelijk terug te keren naar een niveau onder deze waarden of drempels.

Milieueffectrapportages (m.e.r.) jurisprudentie
HvJ EU, Salzburger Flughafen tegen Umweltsenat, 21 maart 2013

Zaak C-244/12. Salzburger Flughafen exploiteert de luchthaven van Salzburg. In 2003 is er bij de luchthaven een extra terminal gebouwd. Vervolgens diende de Salzburger Flughafen in 2004 nieuwe verzoeken in tot uitbreiding van de luchthaveninfrastructuur (onder andere de bouw van bijgebouwen, parkeerterreinen, hangars, vliegtuigplatformen en wijziging van de taxibanen).
Hierop eiste de Landesumweltanwaltschaft Salzburg eiste een milieueffectbeoordeling. Dit verzoek werd afgewezen. Hierop stelde de Landesumweltanwaltschaft beroep in bij de Umweltsenat. Deze oordeelde dat de milieueffectbeoordeling was vereist. De Salzburger Flughafen stelde hiertegen beroep in bij het Verwaltungsgericht.

Hof
Het Hof oordeelt in deze zaak dat de criteria en drempelwaarden genoemd in artikel 4 lid 2 sub b m.e.r. richtlijn mogen er niet toe leiden, dat bij voorbaat gehele categorieën van projecten uit bijlage II van de m.e.r. richtlijn aan een milieueffectbeoordelingsplicht worden onttrokken. Een nationale regeling die alleen een milieueffectbeoordeling eist voor de wijziging van de infrastructuur van een luchthaven wanneer deze wijziging het aantal vliegbewegingen met ten minste 20.000 per jaar kunnen doen toenemen is dan ook in strijd met de m.e.r. richtlijn. Bij de beoordeling of er een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd moet bovendien rekening worden gehouden met de milieueffecten van samenhangende eerder uitgevoerde projecten. Dit om te voorkomen dat de Unieregeling wordt gefrustreerd door een opsplitsing van projecten die samen een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben.

Rechtstreekse werking
De artikelen 2 lid1, 4 leden 2 sub a en 3 MER richtlijn hebben rechtstreekse werking wanneer een lidstaat voor projecten die onder de m.e.r. richtlijn vallen een drempelwaarde vaststellen die onverenigbaar is met de richtlijn. Dit om te verzekeren dat de bevoegde nationale autoriteiten eerst onderzoeken of de betrokken projecten een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben en indien dit het geval is er vervolgens een m.e.r. wordt uitgevoerd.

HvJ EU, 19 april 2012. Pro-Braine ASBL e.a. tegen gemeente Kasteelbrakel

Zaak C-121/11. In 1979 is bij koninklijk besluit een vergunning verleend voor en periode van 30 jaar voor de exploitatie van een centrum voor technische ingraving (een stortplaats) bij Kasteelbrakel. De gemeente Kasteelbrakel heeft in mei 2008 een aanpassingsplan toegestaan dat de exploitatie van de stortplaats werd voorgezet en de bestaande exploitatievoorwaarden ingetrokken en door nieuwe voorwaarden vervangen. Vereniging Pro-Braine gaat hiertegen in beroep. Zij stellen dat de aanvraag voor een exploitatievergunning voor de betrokken installatie aan een milieueffectrapportage had moeten worden onderworpen.

Prejudiciële vraag
Is de beslissing tot voortzetting van de exploitatie van een stortplaats waarvoor een vergunning is verleend of al wordt geëxploiteerd een vergunning in de zin van artikel 1 lid 2 van richtlijn 85/337?

Hof
Het Hof herinnert eraan dat de definitie van het begrip vergunning in richtlijn 85/337 als volgt luidt: ‘het besluit van de bevoegde instantie of instanties waardoor de opdrachtgever het recht verkrijgt om het project uit te voeren’. Er kan dus alleen sprake zijn van een vergunning wanneer een project moet worden uitgevoerd.

Definitie project
Uit de bepalingen van richtlijn 85/337 volgt dat de wijziging of de uitbreiding van een plaats voor het begraven van afvalstoffen een project is in de zin van de richtlijn voor zover zij aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Het Hof heeft vastgesteld dat de term project werken of ingrepen betreft die de materiële toestand van de plaats veranderen. Alleen het verlengen van een bestaande exploitatievergunning van een stortplaats, zonder dat er sprake is van een materiële wijziging, kan dus niet als project worden aangemerkt.

Conclusie
Bovengenoemd besluit kan als vergunning in de zin van de richtlijn worden beschouwd voor zover het aanpassingsplan, waarover een definitieve beslissing is genomen, betrekking heeft op de wijziging of uitbreiding van een dergelijke plaats voor het begraven van afvalstoffen door werken of ingrepen die de materiële toestand ervan veranderen en dit plan aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

Het Hof heeft onvoldoende informatie om zich uit te kunnen spreken over de gevolgen van het besluit. Dit is aan de verwijzende rechter.

HvJ EU, Inter Environnement Bruxelles tegen Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 22 maart 2012

Zaak C-567/10. In deze zaak gaat het om een beroep tot nietigverklaring van een aantal bepalingen van een ordonnantie van 14 mei 2009 die het Brussels wetboek van ruimtelijk ordening (BWRO) wijzigt. Het beroep is ingesteld door de verenigingen Inter Environnement Bruxelles, Pétittions-Patrimoine en Atelier de Recherche et d’Action Urbaines tegen het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. Inter Environnement stelt dat dat artikelen 58 en 59 van het BWRO strijdig zijn met richtlijn 2001/42/EG omdat deze artikelen niet de verplichting op leggen om bij de volledige of gedeeltelijke intrekking van een BBP (bijzonder bestemmingsplan) een milieueffect rapport op te stellen.

Hof
Moet het woord ‘voorgeschreven’ in artikel 2 sub a van de richtlijn worden begrepen dat het plannen, waarin wetsbepalingen voorzien maar waarvan aanneming niet verplicht is, uitsluit van de definitie van plannen en programma’s?

Ruime uitlegging
Een uitlegging van artikel 2 sub a van richtlijn 2001/42/EG die de werkingssfeer van dit artikel aanzienlijk beperkt doet, gelet op het feit dat de richtlijn ertoe strekt een hoog milieubeschermingsniveau te verzekeren, gedeeltelijk afbreuk aan de nuttige werking ervan. Deze uitlegging strookt dan ook niet met het doel van de richtlijn.

Hieruit volgt dat de plannen en programma’s waarvan de vaststelling is geregeld in nationale wettelijk of bestuursrechtelijke bepalingen voor de toepassing van richtlijn als ‘voorgeschreven’ in de zin van deze richtlijn moeten worden aangemerkt. Deze plannen moeten volgens de voorwaarden van deze richtlijn aan een milieu effect beoordeling moeten worden onderworpen.

Eerste vraag
De verwijzende rechter vraagt of de volledige of gedeeltelijke intrekking van een plan of programma waarop de richtlijn van toepassing is, het voorwerp moet uitmaken van een milieu effect beoordeling in de zin van artikel 3 van deze richtlijn.

Wel milieueffectbeoordeling
Een intrekkingsbesluit kan aanzienlijke milieueffecten hebben aangezien een dergelijk besluit hoe dan ook het bestaande wettelijke referentiekader wijzigt en zodoende invloed heeft op de in voorkomend geval volgens de procedure van richtlijn 2001/42 beoordeelde milieueffecten. Voor zover de intrekking van een plan of programma de bij de vaststelling van het in te trekken besluit beoordeelde bestaande situatie van het milieu kan wijzigingen, dient deze dan ook in aanmerking te worden genomen ter verificatie van haar eventuele toekomstige milieueffecten. Een andere zienswijze is strijdig met de nagestreefde doelstellingen en doet afbreuk aan de nuttige werking van de richtlijn.

Uitzondering
Dit is het niet geval wanneer een ingetrokken besluit tot een hiërarchische orde van handelingen inzake ruimtelijke ordening behoort, wanneer deze besluiten bepalingen bevatten die de bestemming van de grond voldoende duidelijk aangeven, deze besluiten zelf het voorwerp van een milieubeoordeling zijn geweest en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat in dit verband voldoende rekening is gehouden met de belangen die de richtlijn beoogt te beschermen.

HvJ EU, 14 maart 2013. Leth

Zaak C-420/11. Volgens het Unierecht en onverminderd minder beperkende nationaalrechtelijke regels ter zake van de aansprakelijkheid van de staat, verleent de omstandigheid dat in strijd met de vereisten van deze richtlijn geen milieueffectbeoordeling werd uitgevoerd particulieren in beginsel niet als zodanig recht op vergoeding van zuivere vermogensschade die voortvloeit uit de waardevermindering van hun onroerende zaken als gevolg van de milieueffecten van dit project. Het staat evenwel aan de nationale rechter om na te gaan of is voldaan aan de Unierechtelijke vereisten voor het recht op schadevergoeding, met name het bestaan van een rechtstreeks causaal verband tussen de aangevoerde schending en de geleden schade.

HvJ EU, 17 juni 2010. Commissie tegen België

Gevoegde zaken C-105/09 en C-110/09. Het Hof stelde in deze zaak vast dat België de Nitraatrichtlijn niet tijdig heeft omgezet in nationale wetgeving. Daarop wijzigde België het deel van het Milieuwetboek. Deze heeft betrekking op het duurzaam beheer van stikstof in de landbouw. Terre Wallone ASBL en Inter-Environnement Wallonië ASBL gingen hiertegen in beroep. Het vastgestelde programma was niet aan een milieubeoordeling onderworpen, zoals de Richtlijn SMB verplicht.

Mogelijk is dat de nakoming van maatregelen in het actieprogramma, voorwaarden zijn voor de toekenning van de vergunning van projecten die zijn vermeld in de bijlagen van de m.e.r. richtlijn. In dit geval is een actieprogramma dat is vastgesteld volgens de nitraatrichtlijn, en is het volgens het Hof in beginsel een plan of programma als bedoeld in de m.e.r. richtlijn.

ABRvS, 17 maart 2010. Veehouderij Rucphen

Zaak 2009 04456/1/M2. Het college van B&W van Rucphen besloot een revisievergunning te verlenen aan een varkensveehouderij. Twee appelanten, beiden woonachtig binnen 500 meter afstand van de veehouderij, gingen tegen het besluit in beroep.De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), verklaarde het beroep niet ontvankelijk voor zover deze betrekking had op geluid, het overbrengen van ziekten en ammoniak. Wel werd het beroep op het gebied van stank ontvankelijk geoordeeld.

Geen milieueffectrapportage
B&W had, ten onrechte, besloten dat er vooraf geen milieueffectrapportage hoefde te worden opgesteld. De verandering zou de drempelwaarden van het Besluit milieueffectrapportage van 1994 niet overschrijden. Het ging hierbij om de toename van het aantal varkens.

De ABRvS refereert in deze uitspraak aan het arrest van het Hof van Justitie EU C-225/08. Gelet op dit arrest, moet er worden gekeken naar andere factoren die omschreven staan in bijlage III van Richtlijn 85/337/EEG. Hoewel de drempelwaarden, zoals genoemd in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage van 1994, niet worden overschreden, kunnen die factoren aanleiding geven tot het opstellen van een milieueffectrapportage.

Bijlage III
Bijlage III noemt onder meer de volgende factoren:

– De omvang van het project;
– De cumulatie met andere projecten;
– Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu. In het bijzonder gebieden die in nationale wetgeving zijn aangeduid of worden beschermd en SBZ’s. Deze zijn door de lidstaten aangewezen volgens de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn;
– De orde van grootte van het effect van het project.Uit het bestreden besluit (de vergunningverlening) blijkt volgens de ABRvS niet dat het college van B&W heeft gekeken naar bovenstaande factoren.

Aanleiding opstellen milieueffectrapportage
Deze hadden aanleiding kunnen geven tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een van de appelanten wees op de bovengenoemde omstandigheden, zoals:

– De cumulatie van stank;
– De omvang van de uitbreiding;
– De ligging in de nabijheid van een natuurgebied.

De ABRvS achtte het besluit in strijd met art. 3:46 Awb niet duidelijk gemotiveerd. Het beroep werd gegrond verklaard.

HvJ EG, 15 oktober 2009. Commissie tegen Nederland

Zaak C-255/08. De Commissie verzocht het Hof om vast te stellen dat Nederland onvoldoende wettelijke en bestuurlijke maatregelen had getroffen om te voldoen aan Richtlijn 85/337/EEG. Deze richtlijn betreft de milieueffectrapportage. In Nederland is deze richtlijn in 1994 omgezet in de Wet milieubeheer (Wm) en het Besluit milieueffectrapportage.

Per geval beslissen
Volgens de Nederlandse wetgeving, moest het bevoegd gezag per geval beslissen of er een milieueffectrapportage moest worden uitgevoerd. Dan alleen voor projecten die bepaalde drempelwaarden overschreden. Bij vaststelling van de drempelwaarden, werden enkele Nederlandse projecten op basis van het criterium ‘omvang van het project’ uit bijlage III van de richtlijn, vrijgesteld van een milieueffectrapportage. Er werd geen rekening gehouden met de overige criteria van bijlage III van de richtlijn. Voor projecten die de vastgestelde drempelwaarden niet overschreden, was het bevoegd gezag niet verplicht een onderzoek naar de noodzaak van een milieueffectenrapportage in te stellen. Ook was het bevoegd gezag niet verplicht rekening te houden met andere criteria uit bijlage III of om hierover een beslissing te nemen.

Verplichte uitvoering richtlijn
Lidstaten zijn verplicht een uitvoering te geven aan Richtlijn 85/337/EG, die volledig aansluit bij de belangrijkste doelstelling ervan. Met name projecten die, gezien hun aard, omvang of ligging, een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, moeten voor de vergunningverlening onderworpen worden aan een milieueffectrapportage. Ook een project van beperkte omvang kan een aanzienlijk milieueffect hebben. De lidstaten moeten zelf beslissen of projecten aan een milieueffectrapportage moeten worden onderworpen.

Vaststelling drempelwaarden
Bij vaststelling van de drempelwaarden, moet rekening gehouden worden met:

– De omvang van projectenl;
– Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;
– De productie van afvalstoffen;
– Verontreiniging;
– Hinder;
– Het risico van ongevallen;
– De plaats van projecten (bestaand grondgebruik, opnamevermogen van het natuurlijk milieu);
– De kenmerken van het potentiële effect (geografisch gebied, grootte van de bevolking).

Wordt er alleen rekening gehouden met de omvang van projecten, zo oordeelde het Hof, worden de grenzen van de beoordelingsmarge uit de richtlijn overschreden. Nederland had de drempelwaarden en selectiecriteria zodanig vastgesteld, dat alle projecten van een bepaald type bij voorbaat al geen milieueffectrapportage hoefden uit te voeren. Er was dan nog niet aangetoond dat deze projecten geen aanzienlijk milieueffect konden hebben.Het Hof oordeelde dat Nederland zijn uit de richtlijn voortvloeiende verplichten niet was nagekomen.

HvJ EG, 15 oktober 2009. Djurgården-Lilla Värtans Miljöskyddsförening tegen Stockholm

Zaak C-263/08. Het provinciaal bestuur had besloten dat bij de aanleg van een ondergrondse tunnel voor hoogspanningskabels in Djurgården Noord, sprake was van een aanzienlijk milieueffect. Met name voor het grondwater. Het wegsijpelen van het grondwater, zou een daling van het grondwaterpijl veroorzaken. Toch verleende de gemeente Stockholm hiervoor een vergunning, zonder een milieueffectrapportage uit te voeren. Daartegen ging milieuorganisatie Djurgården-Lilla Värtans in beroep. Dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat de vereniging volgens de Zweedse milieuwetgeving, niet de vereiste tweeduizend leden telde.

Hof
Het Hof stelde vast, dat het project inderdaad moest worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling. Ook moesten ‘leden van betrokken publiek’ de beslissing van een rechtelijke instantie over een vergunningaanvraag, kunnen aanvechten. Ongeacht hun rol bij de behandeling van de aanvraag. Kleine verenigingen mogen hiervan niet worden uitgesloten, volgens het Hof.

Leden van betrokken publiek
Onder leden van betrokken publiek, wordt verstaan:

– (Rechts)personen;
– Verenigingen;
– Organisaties of groepen die (mogelijk) gevolgen ondervinden van of belanghebbende zijn bij milieubesluitvormingsprocedures;
– Non-gouvernementele organisaties.

HvJ EG, 30 april 2009. Mellor

Zaak C-75/08. Deze zaak betrof de vraag, of lidstaten verplicht zijn om aan het publiek mee te delen, waarom een project niet aan een milieueffectrapportage wordt onderworpen. Een plaatselijke bewoner tekende beroep aan tegen het besluit van de gemeente Harrogate, om geen milieueffectrapportage in te stellen voor de aanvraag van een bouwvergunning. De vergunning was nodig voor de bouw van een ziekenhuis op een landelijk gelegen terrein in het Engelse Yorkshire.

Hof
Het Hof oordeelde dat het besluit dat een project (als bedoeld in bijlage II bij de richtlijn) niet aan een milieueffectbeoordeling onderworpen hoeft te worden, geen redenen hoeft te bevatten op grond waarvan het bestuursorgaan dit besluit heeft genomen. Verzoekt een belanghebbende om de reden van afzien van een milieueffectrapportage, dan is het bevoegde bestuursorgaan verplicht dit en andere relevante informatie te geven.

HvJ EG, 3 juli 2008. Commissie tegen Ierland

Zaak C-215/06. Volgens de Commissie is Ierland niet alle verplichtingen uit art. 2, 4 en 5 t/m 10 van Richtlijn 85/337/EEG nagekomen. Het Hof acht bewezen dat Ierland niet alle maatregelen heeft getroffen om een milieueffectrapportage te laten uitvoeren bij een vergunningverlening. Het betrof de vergunningverlening voor de bouw van een windturbinepark, de daarmee verbonden activiteiten in Derrybrien, County Galway en de uitvoering van de desbetreffende werkzaamheden.

Volledig overzicht

Een volledig overzicht van uitspraken het Europees Hof leest u in dit overzicht jurisprudentie m.e.r.’s.

Milieustrafrecht
HvJ EU, 13 september 2005. Commissie tegen Raad

Zaak C-176/03. Door een uitspraak van het Europese Hof van Justitie is vast komen te staan dat de Europese Commissie bevoegd is om de lidstaten strafrechtelijke verplichtingen op te leggen als dat noodzakelijk is om het milieu te beschermen.

Kaderbesluit
Door deze uitspraak is het Kaderbesluit van de Raad van 2004 over dit onderwerp nietig verklaard en in 2008 vervangen door de eerder aangehaalde richtlijn van de Commissie.

Natura 2000
Hvj EU, Sweetman tegen An bord, 11 april 2013

Zaak C-258/11. De An Bord heeft toestemming gegeven voor het project ‘aanleg buitenste rondweg N6 Galway City’. Volgens het project loopt een deel van de geplande weg door het GCB van Lough Corrib. Hierdoor zal een deel van de kalkhoudende rotsbodem definitief verloren gaan.
De An bord heeft in haar besluit tot toestemming geoordeeld dat het project, hoewel het plaatselijk een grote impact heeft op het gebied, de natuurlijke kenmerken van dit gebied niet aangetast zullen worden. Sweetman gaat tegen dit besluit van An Bord in beroep en stelt dat An bord dit onjuist geconcludeerd heeft.

Prejudiciële vraag
De verwijzende rechter vraagt het Hof of artikel 6 li3 d van de Habitatrichtlijn moet worden uitgelegd dat in een situatie zoals in het hoofdgeding, een plan of een project dat geen verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied, de natuurlijke kenmerken van dat gebied aantast.

Instandhoudingsdoel
Het Hof herinnert eraan dat kalkhoudende rotsbodem een natuurlijke hulp bron is die niet kan worden vervangen wanneer zij is vernietigd. Het instandhoudingsdoel houdt dan ook in dat de bepalende kenmerken van het gebied, in dit geval de aanwezigheid van kalkhoudende rotsbodem, worden behouden in een gunstige staat van instandhouding.

Conclusie
Het Hof concludeert dat een plan of project dat de natuurlijke kenmerken van een bepaald gebied aantast wanneer het in de weg kan staan aan het duurzame behoud van de in deze richtlijn bedoelde bepalende kenmerken van het betrokken gebied die verband houden met de aanwezigheid van een prioritaire natuurlijke habitat waarvan het doel van instandhouding tot aanwijzing als GCB gebied heeft geleid. Bij de beoordeling daarvan moet het voorzorgsbeginsel worden toegepast.

HvJ EU, Briels tegen Minister van infrastructuur en milieu. 15 mei 2014

Zaak C-521/12. In deze zaak gaat het om negatieve gevolgen voor een natura 2000 gebied die moeten worden gecompenseerd door de aanleg van een nieuw gebied.

Feiten
De minister van infrastructuur en milieu heeft besloten dat de Rijksweg A2 wordt verbreed. Deze verbreding zal, zo blijkt uit een voorafgaande natuurtoets, negatieve gevolgen hebben voor het natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek waarin het habitattype blauwgraslanden wordt beschermd. Het project voorziet daarom in een plan om nieuwe blauwgraslanden in het gebied aan te leggen. Een aantal partijen heeft tegen het besluit tot verbreding van de A2 beroep ingesteld.

Prejudiciële vragen
Tast de ontwikkeling van het nieuwe areaal de natuurlijke kenmerken van het gebied aan en mag de ontwikkeling van het nieuwe areaal worden aangemerkt als compenserende maatregel?

Aantasting natuurlijke kenmerken
De beschermingsmaatregelen die in een project worden opgenomen om de schadelijke gevolgen van dit project voor een natura 2000 gebied te compenseren kunnen bij de door artikel 6 lid 3 habitatrichtlijn opgelegde beoordeling van de gevolgen van dit project niet in aanmerking worden genomen.

Deze maatregelen strekken er immers niet toe om de negatieve gevolgen die voor dit habitattype rechtstreeks uit het project voortvloeien, te voorkomen of te verminderen, maar beogen deze gevolgen nadien te compenseren. Die maatregelen kunnen niet garanderen dat het project de natuurlijke kenmerken van dit gebied niet zal aantasten.

Compenserende maatregelen
Alleen wanneer een plan, ondanks negatieve conclusies , en bij het ontbreken van alternatieve oplossingen om dwingende redenen van groot openbaar algemeen belang toch moet worden gerealiseerd, mag de lidstaat volgens art. 6 lid 4 alle nodige compenserende maatregelen nemen om te waarborgen dat de algehele samenhang van de natura 2000 bewaard blijft. De bevoegde nationale autoriteiten kunnen een vergunning krachtens art. 6 lid 4 habitatrichtlijn verlenen voor zover de daarin gestelde voorwaarden zijn vervuld.

Conclusie
Een plan dat negatieve gevolgen heeft voor een natura 2000 gebied en dat voorziet in het aanleggen van een nieuw areaal in dat gebied tast de natuurlijke kenmerken van dat gebied aan. Deze maatregelen kunnen slechts als compenserende maatregelen in de zin van art. 6 lid 4 worden aangemerkt voor zover de bij deze bepaling gestelde voorwaarden vervuld zijn.

HvJ EU, 14 januari 2010. Stadt Papenburg

Zaak C-226/08. Papenburg is een havenstad aan de Eems. Om het gedeelte van de rivier tussen Papenburg en de Noordzee bevaarbaar te houden, zijn baggerwerkzaamheden noodzakelijk. Delen van de Eems zijn opgenomen in de ontwerplijst van de GCB. De Commissie verzocht Duitsland hiermee volgens de richtlijn in te stemmen. Papenburg vreesde dat toekomstige baggerwerkzaamheden daardoor telkens aan beoordeling onderworpen zouden moeten worden en ging daarom tegen het besluit in beroep. De verwijzende Duitse rechter vroeg het Hof, of de Habitatrichtlijn het toestaat dat een lidstaat zich onthoudt van instemming met de opgestelde ontwerplijst voor GCB’s, om andere redenen dan natuurbescherming. Het Hof antwoordde ontkennend. Weigeren lidstaten hun instemming, dan kan de verwezenlijking van het doel van de Habitatrichtlijn in gevaar gebracht worden.

Ook wilde de Duitse rechter weten, of doorlopende onderhoudswerkzaamheden die vóór de afloop van de omzettingstermijn van de Habitatrichtlijn zijn goedgekeurd, onderworpen moeten worden aan een beoordeling van de gevolgen op het gebied. Het Hof antwoordde bevestigend.

Doorlopende baggerwerkzaamheden zijn één en hetzelfde project. Is er vóór de omzettingstermijn een vergunning afgegeven, hoeft er niet steeds opnieuw een beoordeling plaats te vinden.

HvJ EG, 23 april 2009. Sahlstedt e.a.

Zaak C-362/06 P. Het Hof bevestigde de eerdere uitspraak van het Gerecht van Eerste Aanleg, in de zaak ‘Sahlstedt e.a. tegen Commissie’ (T-150/05). Hierin verklaarde het Gerecht het beroep tot nietigverklaring van Beschikking 2005/101/EG niet ontvankelijk. De Finse vereniging van landbouwers en dertien particuliere grondeigenaren stelden dit beroep aan. De Commissie had een lijst van GCB’s samengesteld voor de boreale biogeografische regio (Zweden, Finland en de Baltische staten). In de bestreden beschikking, waren de gronden van de dertien particulieren ingedeeld onder deze GCB.

Het Gerecht oordeelde dat de verzoekers niet rechtstreeks door de beschikking werden geraakt. Ze voldeden dus niet aan de voorwaarde van art. 230 alinea 4 EG. De eigenaar van gronden gelegen in GCB’s, werden niet individueel door de beschikking geraakt. Dergelijke gebieden worden uitsluitend aangewezen aan de hand van biologische criteria en niet met oog op de bijzondere situatie van grondeigenaren.

HvJ EG, 17 februari 2009. Commune de Sausheim tegen Pierre Azelvandre

Zaak C-552/07. De gemeente Sausheim (Frankrijk) zou ggo’s gaan introduceren in het milieu. Toen de burger Pierre Azelvandre de gemeente vroeg hem de briefwisseling en aanbouwgegevens mee te delen met betrekking tot veldproeven in het kader van de doelbewuste introductie van ggo’s, werd hem dit geweigerd. Pierre Azelvandre spande een geding aan.

Het Hof bepaalde dat, op grond van Richtlijn 2003/4/EG, een lidstaat niet mag weigeren informatie te verschaffen die zich uit hoofde van de bepalingen van Richtlijn 90/220/EEG en Richtlijn 2001/18/EG in het publieke domein bevindt. De Gemeente Sausheim werd dus verplicht de gevraagde informatie te verschaffen.

HvJ EG, 14 september 2006. Bund Naturschutz in Bayern e.a. tegen Freistaat Bayern

Zaak C-244/05. Ingevolge van de Habitatrichtlijn, zijn er gebieden aangewezen voor de lijst van GCB’s. De verwijzende Duitse rechter, vroeg zich af welke beschermingsregeling van toepassing is op gebieden die nog niet door de Commissie zijn opgenomen in de betreffende lijst.

Volgens het Hof moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen, om ingrepen te voorkomen die ecologische kenmerken van de gebieden die op de toegezonden nationale lijst staan, ernstig kunnen aanpassen. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of dat het geval is.

Richtlijnconforme interpretatie
HvJ EU, Amia SpA tegen Provincia Regionale di Palermo, 24 mei 2012

Zaak C 97/11. Amia exploiteert een stortplaats te Palermo waar zij afval verwijdert dat op gezette tijden door de lokale overheden wordt afgeleverd. Amia moet op grond van een nationale wet per kwartaal een heffing betalen aan de Provincia Regionale di Palermo. Zij moet deze heffing doorberekenen aan de lokale overheden die hun afval komen storten. Amia heeft een aanslag van de Provincia Regionale di Palermo ontvangen ter invordering van niet betaalde heffing en van een geldboete. Zij gaat daartegen in beroep.

Prejudiciële vraag
De verwijzende rechter vraagt of de bepalingen van een nationale wet buiten toepassing moeten worden gelaten wegens strijd met artikel 10 van richtlijn 1999/31 en wegens strijd met de artikelen 1 t/m 3 van richtlijn 2000/35?

Hof
Een nationale bepaling die indruist tegen het Unierecht moet buiten toepassing worden gelaten wanneer er geen met het Unierecht strokende uitlegging van die bepaling mogelijk is. De nationale rechter moet bij de toepassing van het interne recht dit zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 288, derde alinea, VWEU te voldoen. Het beginsel van richtlijnconforme uitlegging vereist bovendien dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden, gelet op het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, al het mogelijke doet om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling.

Directe werking
Voor het geval zo een uitlegging niet mogelijk mocht zijn, moet worden onderzocht of artikel 10 van richtlijn 1999/31 en de artikelen 1 tot en met 3 van richtlijn 2000/35 rechtstreekse werking hebben en of Amia zich er dus op kan beroepen tegen de Provincia Regionale di Palermo. Het hof oordeelt dat de artikelen 10 en 1 t/m 3 onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn. Deze bepalingen hebben dus directe werking.

Aangezien artikel 10 van richtlijn 1999/31 en de artikelen 1 tot en met 3 van richtlijn 2000/35 de voorwaarden vervullen om rechtstreekse werking te hebben, gelden zij voor alle autoriteiten van de lidstaten, dus ook voor de Provincia Regionale di Palermo.

De nationale rechter moet nagaan of het volstrekt onmogelijk is om zijn nationale recht uit te leggen in overeenstemming met richtlijnen 1999/31 en 2000/35. Wanneer dit niet mogelijk is moe de rechter de nationale bepalingen buiten toepassing laten.

HvJ EU. 15 maart 2001. Pupino

Zaak C-105/03. Een Italiaanse rechter verzocht het Hof tot een prejudiciële beslissing met betrekking tot enkele artikelen van het kaderbesluit inzake de status van het slachtoffer in de betreffende strafprocedure (2001/220/JAI).

Kleuterleidster Maria Pupino werd ervan verdacht kinderen lichamelijk letsel te hebben toegebracht. De Italiaanse rechter wilde weten of hij het nationale strafprocesrecht conform het kaderbesluit moest uitleggen.

Hof
Het Hof stelde dat het dwingende karakter van kaderbesluiten de nationale instanties, met name de nationale rechter, verplicht tot conforme uitlegging van hun nationale recht. Dit leidde het Hof af uit de identieke bewoording van (oud) art. 34 EU (kaderbesluiten) en (oud) art. 249 derde alinea EG (richtlijnen).

Het Hof oordeelde echter dat de verplichting van de nationale rechter om de inhoud van een kaderbesluit te betrekken bij de uitlegging van de relevante bepalingen van zijn nationale recht, haar grenzen vindt in de algemene rechtsbeginselen en met name in het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van non-retroactiviteit.

Conforme uitlegging houdt daar op waar het nationale recht niet zodanig kan worden toegepast dat het tot een resultaat leidt dat verenigbaar is met het door het kaderbesluit beoogde resultaat. Oftewel, het beginsel van conforme interpretatie kan niet als grondslag dienen voor een uitlegging contra legem van het nationale recht.

Waterbeheer
HvJ EG, 10 september 2009. WAZV Gotha tegen Eurawasser

Zaak C-206/08. In deze zaak werd het begrip ‘concessieovereenkomst voor diensten’ – in de zin van de aanbestedingsrichtlijn voor speciale sectoren – uitgelegd.

WAZV Gotha is een gemeentelijk samenwerkingsverband, dat verantwoordelijk is voor de drinkwatervoorziening en de afvalwaterafvoer op zijn grondgebied. Eurawasser is een onderneming voor de behandeling en lozing van water.

Aanbestedingsprocedure
WAZV Gotha besloot een concessie te verlenen voor de drinkwatervoorziening en afvalwaterafvoer voor 20 jaar, middels een informele aanbestedingsprocedure. Eurawasser ging hiertegen in beroep en kreeg gelijk. Volgens de Duitse rechter ging het om een opdracht voor dienstverlening. WAZV Gotha had dus een formele aanbestedingsprocedure moeten inleiden.

Beroep
WAZV Gotha was het hier niet mee eens, en ging tegen de uitspraak in beroep. Aan het Hof werd gevraagd of het volgende geval van een overeenkomst voor diensten, volstaat om de overeenkomst aan te merken als ‘concessieovereenkomst voor diensten’: De opdrachtnemer wordt niet rechtstreeks door de aanbestedende dienst vergoed, maar heeft het recht om op privaatrechtelijke basis, vergoedingen van derden te innen.

Hof
Het Hof antwoordde dat dit het geval is, als de opdrachtnemer het exploitatierisico geheel of gedeeltelijk op zich neem. Ook als is het risico op grond van de wijze waarop de dienst publiekrechtelijk is georganiseerd, zeer beperkt.

Nieuws

4. VHR bird
Werkdocument over uitkomst fitness check VHR uitgesteld tot najaar 2016

Vorig jaar zomer reageerden een recordaantal stakeholders op de publieke consultatie over de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). De Europese Commissie zou nog dit voorjaar het werkdocument over de uitkomsten van de Fitness check publiceren. Begin juni werd echter bekend gemaakt dat het rapport pas in het najaar van 2016 zal verschijnen. In afwachting hiervan blijven de nodige acties ter bescherming van de Europese biodiversiteit uit.

Lees het volledige bericht

Noordzeeverklaring
Noordzeelanden tekenen verklaring voor meer samenwerking in duurzame energie

De ondertekening van de officiële Noordzeeverklaring geeft het startsein voor vernieuwde regionale energiesamenwerking door landen rondom de Noordzee. Op 6 juni 2016 tekenden de energieministers van België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Luxemburg, Noorwegen, Zweden en Nederland, evenals de Europese Commissie, deze verklaring. Deze Noordzeeverklaring bevat een concrete roadmap voor de samenwerking, die moet leiden tot een geïntegreerd netwerk van windparken op de Noordzee.

Lees het volledige bericht

5 adaptation futures
Klimaatconferentie: Hoe om te gaan met klimaatverandering?

In november 2015 is het klimaatakkoord gesloten in Parijs: de klimaatconferentie Adaption Futures 2016 is het vervolg hierop. De conferentie vond plaats van 10 t/m 13 mei 2016. Nederland in haar rol als EU-voorzitter, zat deze mondiale conferentie samen met de Europese Commissie voor. Eén van de belangrijkste thema’s tijdens deze dagen was de aanpassing aan een veranderend klimaat.

Lees het volledige bericht

Milieu
Aanpassing monitorings- en rapportageverplichtingen Europese milieuregelgeving

De monitorings- en rapportageverplichtingen onder de Europese milieuregelgeving zijn toe aan verandering, stelt het Comité van de Regio’s. Op dit moment is er te weinig samenhang en consistentie in monitoring en rapportage, waardoor er niet goed kan worden gecontroleerd of de regelgeving correct wordt toegepast. Daarom heeft het Comité van de Regio’s positief gestemd over maatregelen die als doel hebben om de implementatie van EU-milieuregelgeving te verbeteren.

Lees het volledige bericht

2 Agricultuur - meststoffen
Nieuwe EU verordening moet gebruik van organische en op afval gebaseerde meststoffen bevorderen

De Europese Commissie heeft een eerste resultaat van het pakket circulaire economie in de vorm van nieuwe regels voor organische en op afval gebaseerde meststoffen gepresenteerd. De toegang van deze meststoffen tot de interne markt van de EU wordt hierdoor makkelijker. Doel van het initiatief is om een stimulans te geven voor grootschalige meststoffenproductie in de EU op basis van organische of secundaire grondstoffen. Afvalstoffen worden hierbij omgezet naar voedingsstoffen voor gewassen.

Lees het volledige bericht

natuur VHR
Staatssecretaris Van Dam over de fitnesscheck van de vogel- en habitatrichtlijn

“Nederland wil de vogel- en habitatrichtlijn (VHR) in de huidige vorm behouden, bij nadere gedachtevorming in het kader van de fitnesscheck moet de focus gericht zijn op verbetering van de implementatie van de richtlijnen”. Dit stelt staatssecretaris Van Dam in het algemeen overleg over natuurbeleid dat op woensdag 23 maart jl. plaatsvond in de Tweede Kamer commissie Economische Zaken.

Lees het volledige bericht

Afvalrichtlijnen
Reacties op voorstel wijziging EU-afvalrichtlijnen

Het voorstel van de Europese Commissie voor de realisatie van een circulaire economie doet flink wat stof opwaaien. Met name de wetsvoorstellen tot wijziging van de Europese richtlijnen voor afvalstoffen, verpakkingen, storten, autowrakken, en batterijen en accu’s zorgen voor discussie. Zowel het Europese Comité van de Regio’s als de Nederlandse Tweede Kamer reageerden met een aantal vragen op de voorstellen.
Lees het volledige bericht

“Eigen Europese energie is macht, veiligheid en bedrijvigheid”
Commissie speelt op zeker met energiepakket

De Europese Commissie heeft op 16 februari het pakket energiezekerheid gepresenteerd. Het pakket maakt deel uit van de Europese energie-unie strategie en bevat een aantal maatregelen om de EU beter bestand te maken tegen mogelijke onderbrekingen van de energievoorziening.
Lees het volledige bericht

4. circular economy
Nederlands standpunt EU-pakket circulaire economie bekendgemaakt

Afgelopen week werd het Nederlandse standpunt met betrekking tot circulaire economie bekend gemaakt door middel van het publiceren van een BNC-fiche. Naast de ontwikkelingen op het gebied van circulaire economie, is dit onderwerp ook één van de prioriteiten van staatssecretaris Dijksma tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap.
Lees het volledige bericht

Praktijk

Omgevingslawaai

Bijna alle provincies hebben op grond van de Richtlijn Omgevingslawaai een Actieplan Geluid vastgesteld. Bijvoorbeeld de provincie Noord-Holland, de drukste wegen worden (deels) voorzien van stil asfalt. Ook gemeenten stellen Actieplannen Geluid vast, bijvoorbeeld de gemeente Utrecht.

Praktijkvragen

Kan onze gemeente gebruik maken van de ‘Urban Adaptation Support Tool’?
Onze gemeente wil zich actiever gaan inzetten voor aanpassing aan klimaatverandering. In het kader hiervan willen wij een klimaatadaptatiestrategie ontwikkelen.
Op de website van de Europese Commissie hebben wij informatie gelezen over de ‘Urban Adaptation Support Tool’. Wat houdt deze tool in en kan onze gemeente bij het uitwerken van onze klimaatadaptatiestrategie ook gebruik maken van de ‘Urban Adaptation Support Tool’?

Bekijk het antwoord

Wat is de Europese Green Leaf award?
Onze gemeente wil mede vanuit Europabewustzijn actief bijdragen aan de Europese milieudoelstellingen en het milieu verbeteren. Ook willen wij bijvoorbeeld kennis en ervaring op milieugebied uitwisselen met andere steden. Biedt het nieuwe Europese Green Leaf initiatief hiervoor mogelijkheden?

Bekijk het antwoord

Wat is het Europese beleid voor aanpassing aan klimaatverandering?
Ons waterschap krijgt via het milieubeleid van de EU en het Rijk te maken met wetgeving en beleid om klimaatverandering tegen te gaan, zoals de Kaderrichtlijn Water.
Wij hebben begrepen dat er ook Europees beleid is voor klimaatadaptatie. Wat houdt dat beleid voor adaptatie in en welke rol spelen waterschappen daarbij?

Bekijk het antwoord

Komt de verplichting voor energieneutraal bouwen in 2020 uit Brussel?
Volgens het Bouwbesluit, dat in 2012 is herzien, moeten nieuwe woningen in 2020 energieneutraal zijn. Ook zijn de minimumeisen voor energieprestaties van gebouwen aangescherpt. Onze gemeente vraagt zich af of deze verplichtingen uit Brussel voortkomen en zo ja: in welke Europese regels zijn die vastgelegd?

Bekijk het antwoord

Geldt de verplichting voor een energielabel ook voor bestaande publieke gebouwen?
Vanaf 2013 moet volgens Europese regelgeving ook alle nieuwbouw van decentrale overheden bij oplevering beschikken over een energielabel. Overheden moeten bovendien energielabels ophangen in alle gebouwen vanaf 500 m2. Geldt de verplichting tot afgifte van een energielabel ook voor bestaande gemeentelijke gebouwen? En op welk vloeroppervlak is de richtlijn precies van toepassing?

Bekijk het antwoord

Publicaties

Elektrische apparaten

Europa-eu, samenvatting AEEA richtlijn (Engels)

Wet- en regelgeving

Aansprakelijkheid milieuschade

In april 2004 werd Richtlijn Milieuaansprakelijkheid van kracht. De wijzigingen zijn op 1 juni 2008 in Nederland in werking getreden. Onder andere de Wet Milieubeheer is aangepast. Om de nieuwe Europese richtlijn te implementeren is aan hoofdstuk 17 Wet milieubeheer, titel 17.2 ‘maatregelen bij milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan’ toegevoegd.

Doel richtlijn

De richtlijn heeft als doel:

– Voorkomen en herstellen van milieuschade aan natuurlijke habitats en flora- en faunasoorten, die op EU-niveau worden beschermd door de Vogel- en Habitatrichtlijnen;
– Beschermen van wateren die vallen onder de Kaderrichtlijn Water.

Vervuilende activiteiten

Daarnaast geeft de richtlijn een opsomming van (potentieel) vervuilende activiteiten, waarvoor veroorzakers aansprakelijk kunnen worden gesteld. Voorbeelden hiervan zijn:

– Het lozen van zware metalen in water en lucht;
– De uitstoot van zware chemicaliën;
– Bodemvervuiling met potentieel risico op het schaden van menselijke gezondheid.

Afvalstoffen

Eind 2008 is de Kaderrichtlijn Afvalstoffen gepubliceerd en later in Nederlandse wet- en regelgeving geïmplementeerd. In deze richtlijn is meer dan voorheen vastgelegd over de recycling, terugwinning en inzameling van afvalstoffen. Voor alle andere onderdelen in de EU-wetgeving, zijn er basisregels voor afval opgenomen.

Nationale regelgeving

De Nederlandse afvalregelgeving is vastgelegd in hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer. Veel onderwerpen worden verder uitgewerkt in Algemene Maatregelen van Bestuur, provinciale milieuverordeningen of gemeentelijke afvalstoffenverordeningen.

Hergebruik

Naast afvalpreventie is in de kaderrichtlijn nadruk komen liggen op afvalverbranding. Als afvalverbranding energie oplevert, dan wordt dit aangemerkt als een vorm van hergebruik (in plaats van verwijdering). Sommige vormen van afval worden voortaan aangemerkt als secundaire grondstof.

Lidstaten moeten afvalmanagement plannen en afvalpreventie programma’s opstellen. Eind 2014 wordt er, als het nodig is, een nieuw artikel over afvalpreventie opgesteld.

Voorschriften decentrale overheden

Op de website van het ministerie van I&M, vindt u een overzicht van voorschriften uit alle Europese Richtlijnen, die van belang zijn voor decentrale overheden.

Bioafvalbeheel
Richtlijn Storten afvalstoffen

Om de hoeveelheid methaan die vrijkomt uit groenafval in stortplaatsen te beperken heeft de Commissie de Richtlijn Storten afvalstoffen opgesteld. Deze verplicht lidstaten om de hoeveelheid biologisch afbreekbaar afval dat wordt opgeslagen op vuilnisbelten in 2016 te verminderen met 35% ten opzichte van de hoeveelheid van 1995.

Afvalstoffenrichtlijn

De Afvalstoffenrichtlijn is voor decentrale overheden ook van belang. Deze richtlijn bevat specifieke regels over bioafval. Er worden recyclingdoelen voorgeschreven voor bioafval van huishoudens en er worden kwaliteitsnormen voor compost vastgesteld.

Overige richtlijnen

De GPBV richtlijn (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) gaat over de bioafvalinrichtingen met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag. Deze wordt vervangen door de Richtlijn Industriële uitstoot. De verbranding van bioafval is vastgelegd in de Afvalverbrandingsrichtlijn. De Verordening Dierlijke bijproducten geeft veiligheidsvoorschriften voor de verwerking van dierlijke bijproducten die niet voor menselijke consumptie zijn bestemd.

Bodem

Het Europese bodembeleid is vervat in bestaande richtlijnen, zoals de richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen en wetgeving over mest, mineralen en lozen van stoffen. Deze zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving.

Voorstel Kaderrichtlijn Bodem

De EUheeft regels vastgesteld over bodem in de Richtlijn Milieuaansprakelijkheid. Het onderdeel over bodem in deze richtlijn wordt gewijzigd als het voorstel van de Commissie voor een nieuwe Kaderrichtlijn Bodem wordt aangenomen. In september 2006 is het voorstel voor de Kaderrichtlijn Bodem gepubliceerd door de Europese Commissie. Deze is nog niet aangenomen, omdat het voorstel in de Raad tot tweemaal toe is geblokkeerd. Een blokkerende minderheid is van mening is dat bodembeleid een zaak van de lidstaten zelf is.

Doelstellingen voorstel kaderrichtlijn bodem

Doelen van de voorgestelde Kaderrichtlijn Bodem zijn:

– Bescherming van bodemfuncties;
– Voorkomen van achteruitgang van bodems;
– Herstel van verontreinigende bodems;
– Integratie van bodembescherming in andere beleidsvelden;
– Identificatie van risicogebieden door erosie, afname organisch stofgehalte, compactie, verzilting of landverschuivingen;
– Stimulatie van maatregelen die gevaarlijke stoffen in de bodem voorkomen.

Verplichtingen

Voorbeelden van verplichtingen zijn:

– Een landelijk bodemsaneringsplan opstellen;
– Een uitvoeringsplan opstellen;
– Een periodieke rapportage aan de Commissie;
– Het inventariseren van risicogebieden t.a.v. erosie, organische stof, verdichting, verzilting en landverschuivingen.

Chemische stoffen

In 2013 is de herziene Richtlijn prioritaire stoffen in werking getreden.

Richtlijn Prioritaire Stoffen

In Nederland is de Europese lijst van prioritaire stoffen opgenomen in de Prioritaire Stoffenlijst. De richtlijn is in Nederland in verschillende wetten en regels geïmplementeerd. Meer informatie hierover is te vinden op de website van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

Nieuwe richtlijn

Op 24 augustus 2013 is de nieuwe Richtlijn Prioritaire stoffen gepubliceerd. Deze richtlijn vervangt de ‘oude’ Richtlijn prioritaire stoffen en functioneert als dochterrichtlijn van de Kaderrichtlijn water. De Richtlijn dient door Nederland voor 14 september 2015 geïmplementeerd te zijn in nationale wetgeving. De richtlijn bevat een uitbreiding van de lijst van prioritaire stoffen en wijzigingen van milieukwaliteitsnormen. De status van stoffen kan ook gewijzigd worden door deze richtlijn. De implementatie van deze richtlijn gaat zorgen voor een wijziging van het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009.

CO2 opslag
CCS-richtlijn

De CCS-richtlijn stelt een wettelijk kader vast voor de geologische opslag van CO2. Bij de permanente opslag van CO2 moeten negatieve effecten op en risico’s voor het milieu en de volksgezondheid worden voorkomen of zoveel mogelijk worden weggenomen.

Geen inlevering emissierechten

Voor de opgeslagen CO2 hoeven geen emissierechten te worden ingeleverd. Vanaf 2013 regelt de richtlijn de vergunningverlening, het monitoren en de omgang met aansprakelijkheid van opslag.

Relevante bepalingen

De volgende bepalingen zijn relevant voor decentrale overheden

– Nieuwe stookinstallaties met een vermogen van 300 MW of meer zijn geschikt om CO2 af te vangen. Zo kan later alsnog worden verplicht om CO2 af te vangen (art. 33);
– De richtlijn bevat voorschriften voor het transport van CO2 (art. 21), de toegang tot het transportnetwerk en de kwaliteit van het CO2 dat wordt vervoerd (art. 12);
– Voor de opslag van CO2 is een opslagvergunning nodig. De richtlijn stelt eisen aan de aanvraag, procedure en inhoud van de vergunning;
– In sommige gevallen bestaat er een verplichting tot een milieueffectrapportage.

Verwachtingen

Tegen 2020 kan er ongeveer zeven miljoen ton CO2 worden opgeslagen, tegen 160 miljoen ton in 2030. De Commissie gaat er wel vanuit dat de broeikasgasemissies tegen 2020 met 20% dalen, de CCS voldoende financiële steun krijgt en dat het een milieuveilige technologie blijkt te zijn.

Betrokkenheid decentrale overheden

Er vindt in Nederland (nog) geen opslag van CO2 onder land plaats. Wel wordt er sinds 2004 in de Noordzee door een Frans bedrijf CO2 terug de grond in geïnjecteerd. Deze CO2 is afkomstig uit het aardgas dat het bedrijf uit de Noordzeebodem wint.

Daarnaast wordt er gewerkt aan het demonstratieproject ROAD in de regio RIjnmond. De provincie Zuid-Holland is het bevoegde gezag voor wat betreft het afvangen van de CO2 en er is een milieueffectrapportage opgesteld. Voor het transport en de opslag van de CO2 is de Rijksoverheid het bevoegd gezag. Zie de website van het ROAD project.

Comitologie

De richtlijn voorziet in de oprichting van een comité klimaatverandering.

Implementatie in Nederland

De richtlijn is in Nederland geïmplementeerd via een wijziging in de Mijnbouwwet en is op 10 september 2011 inwerking getreden. Hierin werd nader uitgewerkt welke eisen er waren aan de vergunning voor de CCS. Het Besluit tot wijziging van de Mijnbouwregeling, dat uitwerking van eisen aan de vergunning voor permanent opslaan van CO2 bevat, trad op 16 september 2011 in werking.

CO2 reductie
Beschikking lastenverdeling reductiedoelen broeikasgasemissies

De Beschikking lastenverdeling reductiedoelen broeikasgasemissies regelt de verdeling van de emissievermindering over de lidstaten. Dit is één van de manieren om de 20/20/20 doelstellingen te realiseren.

Reductiedoelstelling

Voor elke lidstaat stelt de beschikking een streefcijfer vast voor de non-ETS sectoren. Voor Nederland is deze taakstelling een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen van 16% in 2020 ten opzichte van het niveau van 2006.

Decentrale overheden

Deze taakstelling is verwerkt in bestaande afspraken van decentrale overheden met het Rijk. De beschikking bevat geen voorschriften over hoe de doelstellingen gerealiseerd moeten worden, dit is geheel aan de lidstaten. Wel moet er elk jaar op 15 januari gerapporteerd worden of de grenswaarden wel of niet behaald zijn (rapportagedata afkomstig uit beschikking KYOTO-protocol).

Implementatie in Nederland

De beschikking heeft een rechtstreekse werking. De bovengenoemde afspraken van het Rijk met de decentrale overheden zijn soms ouder dan de beschikking. Ze bevatten een hogere streefreductie van de norm in de beschikking. Decentrale overheden ondervinden daarom geen directe gevolgen van de beschikking.

Afspraken sectoren

Naast afspraken met decentrale overheden heeft de Rijksoverheid ook afspraken gemaakt met de sectoren zelf. Op de website van het Rijk staat een overzicht van de sectoren die niet onder de EU-ETS vallen. Per sector staat aangegeven welke concrete afspraken er zijn gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen te beperken.

Schoon en Zuinig

De EU reductiedoelen liggen lager dan de doelen die het werkprogramma van de Rijksoverheid in het werkprogramma Schoon en Zuinig stelt. Alle maatregelen uit dit programma hebben ruimtelijke consequenties voor decentrale overheden. De Europese doelstellingen hebben hiermee indirect effect op de ruimtelijke ordeningpraktijk van decentrale overheden.

Drinkwater

De Kaderrichtlijn Water en de Drinkwaterrichtlijn bevatten bepalingen met betrekking tot drinkwater.

Doel en eisen

De richtlijnen zijn er om de gezondheid van consumenten te beschermen en te waarborgen dat drinkwater gezond en schoon is.

De hoofdlijnen van de Drinkwaterrichtlijn zijn:

– Lidstaten moeten voldoen aan kwaliteiteisen voor drinkwater en de verplichting dat deze gezond en schoon is;
– Lidstaten moeten de kwaliteit van drinkwater geregeld monitoren en consumenten hiervan op de hoogte stellen;
– Watervoorraden die minder dan 50 personen of minder dan 10m3 drinkwater per dag verschaffen vallen niet onder de richtlijnen;
– Water dat gebruikt wordt door producenten van levensmiddelen mogen worden uitgezonderd, mits de kwaliteit van de levensmiddelen hierdoor niet achteruit gaat.

Implementatie in Nederland

De Drinkwaterrichtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Drinkwaterwet. In deze wet en in het Drinkwaterbesluit is bepaald dat het Rijk verantwoordelijk is voor de drinkwatervoorziening.

Duurzaam aanbesteden en inkopen wet- en regelgeving
1. Ecodesignrichtlijn

De Ecodesignrichtlijn schept een kader voor het ecodesign van producten die veel verkocht worden (meer dan 200.000 eenheden per jaar in de EU) en een grote impact hebben op het milieu. In de EU wordt een gemeenschappelijke methodiek voor de vaststelling van eisen voor die producten gebruikt.

Maatregelen

Op basis van de richtlijn kunnen uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld. Dit zijn ecologische ontwerpvoorschriften voor bepaalde producten of milieuaspecten daarvan. De richtlijn stelt voorschriften vast waaraan producten die veel verkocht worden en een grote impact hebben op het milieu, moeten voldoen.

Comitologie

De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen voorstellen met eisen over ecologisch ontwerp op basis van de bijlagen van de richtlijn. De Commissie legt alle ontwerpmaatregelen voor aan een comité. Dit comité is betrokken bij het toezicht op de uitvoeringsmaatregelen.

Implementatie in Nederland

De richtlijn is in Nederland geïmplementeerd via een wijziging van de Wet Milieubeheer. De eerdere versie van de Ecodesignrichtlijn is in Nederland geïmplementeerd via de Implementatiewet EG-richtlijn ecologisch ontwerp energieverbruikende producten. De Wet milieubeheer, de Wet energiebesparing toestellen en de Wet op de economische delicten zijn gewijzigd.

Het ministerie van I&M is verantwoordelijk voor de implementatie en betrekt het ministerie van EZ erbij.

2. Energie-etiketteringsrichtlijn

De Energie-etiketteringsrichtlijn verplicht de vermelding van het energieverbruik op etiketten en in de standaard productinformatie van huishoudelijke, commerciële en industriële producten. Op het etiket moet staan binnen welke energieklasse het product valt (A t/m G).

Samen met de Ecodesignrichtlijn biedt de richtlijn een wetgevingskader dat tot extra energiebesparingen en milieuvoordelen leidt. De richtlijn komt voort uit het Actieplan voor energie-efficiëntie en het Actieplan voor duurzame productie en consumptie en een duurzaam Industriebeleid.

Doel

Het doel van de richtlijn is om gebruikers te stimuleren een keuze te maken op basis van nauwkeurige, zinnige en vergelijkbare informatie over het energieverbruik van producten. Zo kan de gebruiker kiezen voor producten die bij gebruik minder energie of andere hulpbronnen verbruiken. Hierdoor worden fabrikanten ertoe aangezet om het energieverbruik van producten te verminderen.

Comitologie

De details van het etiket en het fiche voor ieder soort product in gedelegeerde handelingen worden vastgesteld volgens de parameters van de Ecodesignrichtlijn en na analyse van de gevolgen van de handeling voor milieu, eindgebruikers en fabrikanten. Dit betreft bijvoorbeeld de plaats van het etiket op het product, het formaat en de energieklasse.

Implementatie in Nederland

De oude en inmiddels weer ingetrokken Energie-etiketteringsrichtlijn is via verschillende besluiten en regelingen met betrekking tot bepaalde apparatuur geïmplementeerd. De nieuwe Energie-etiketteringsrichtlijn is deels geïmplementeerd met de wijziging van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie. Het Besluit energie-etikettering energiegerelateerde producten strekt tot verdere implementatie van de richtlijn.

Duurzame openbare verlichting wet- en regelgeving
Verordening energie-efficiënte verlichting

De Verordening Energie-efficiënte verlichting is op 13 april 2009 in werking getreden en bevat eisen voor industriële, kantoor- en openbare straatverlichting. Deze is vastgesteld op basis van de inmiddels ingetrokken Ecodesignrichtlijn. Voordat deze verordening was vastgesteld heeft de Europese Commissie in 2009 een impact assessment uitgevoerd. Het plan opgesteld dat is opgesteld door de Commissie is om milieuonvriendelijke verlichting geleidelijk van de Europese markt te weren. Het doel is dit te behalen in 2017.

Implementatie in Nederland

Verordeningen hebben rechtstreekse werking en hoeven niet te worden geïmplementeerd. In Nederland is de Richtlijn Openbare Verlichting opgesteld op verzoek van de inmiddels opgeheven Taskforce Openbare Verlichting als handreiking om aan de verordening te voldoen. De Taskforce is in het leven geroepen om energiezuinige verlichting te stimuleren en lichthinder te beperken. De Taskforce is eind 2011 opgeheven. De opgestelde richtlijn is niet bindend voor decentrale overheden, en daarnaast bestaat er in Nederland geen wet- en regelgeving over openbare verlichting. Echter, in praktijk hanteren de meeste overheden deze richtlijn wel.