Zoeken
Staatssteun

Staatssteun

De Europese Unie wil gelijke concurrentievoorwaarden scheppen voor alle ondernemingen op de interne markt. Controle op overheids- of staatssteun aan ondernemingen is dan ook één van de belangrijkste onderdelen van het Europese mededingingsbeleid. Decentrale overheden die steun willen verlenen, moeten goed kijken naar de regels voor staatssteun.

Staatssteunverbod

De staatssteunregels zijn neergelegd in de artikelen 107, 108 en 109  van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Indien decentrale overheden steun willen verlenen is het van belang dat deze bepalingen in acht worden genomen. Staatssteun is in principe verboden (artikel 107 lid 1 VWEU) omdat hiermee de mededinging op de Europese markt kan worden verstoord. Uit het Europees staatssteunverbod zijn een aantal cumulatieve criteria af te leiden. Een maatregel levert dus pas staatssteun op wanneer er aan al deze voorwaarden wordt voldaan.

Voorbeelden staatssteun

Staatssteun kan in allerlei vormen voorkomen en beperkt zich niet alleen tot de ‘klassieke’ subsidie. Ook steunmaatregelen in de vorm van garanties, leningen, risicokapitaal, verlaagde huur en grondverkoop onder de marktwaarde kunnen hier bijvoorbeeld onder vallen.

Staatssteunproof

Hoewel staatssteun in beginsel verboden is en moet worden aangemeld bij de Europese Commissie ter goedkeuring, zijn er veel mogelijkheden om staatssteun zogezegd ‘staatssteunproof’ te verlenen. Zo heeft de Europese Commissie een aantal vrijstellingsverordeningen ontworpen op basis waarvan decentrale overheden steun kunnen verlenen voor bepaalde beleidsdoelen, zonder dat een formele aanmeldingsprocedure nodig is. De belangrijkste vrijstellingsverordeningen zijn de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) en de MKB Landbouwvrijstellingsverordening (LVV). In de ‘kennisgevingen-barometer’ van Europa decentraal is meer informatie over de toepassing van deze vrijstellingen (door decentrale overheden) te vinden. Voor lage steunbedragen kunnen overheden de de-minimisverordening gebruiken.

Beleidsterreinen

Hieronder staan een aantal beleidsterreinen opgesomd waarvoor decentrale overheden steun kunnen verlenen en mogelijk met staatssteunregels te maken krijgen:

  • Werkgelegenheid;
  • Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (O&O&I);
  • Milieu en duurzaamheid;
  • Vervoer;
  • Landbouw;
  • Ruimtelijke ordening;
  • Cultuur;
  • Natuurbeheer.
Decentrale overheden

De Europese staatssteunregels zijn gericht aan overheden. Decentrale overheden zijn zelf verantwoordelijk voor de naleving en een correcte toepassing ervan. Indien decentrale overheden steun willen verlenen dienen ze deze ‘staatssteunproof’ te maken en rekening te houden met de voorwaarden die daarvoor gelden.

Risico’s

De Europese Commissie kan een onderzoek starten indien zij vermoed dat er mogelijk onverenigbare steun is verleend. Als uit het onderzoek van de Commissie blijkt dat er inderdaad onverenigbare steun is verleend zal deze mogelijk moeten worden teruggevorderd. Meer hierover leest u onder risico’s

 

Beleid

Green Deals beleid

In het Energierapport 2011, de Bedrijfslevenbrief, de Duurzaamheidsagenda worden de voorwaarden uiteengezet voor groene economische ontwikkeling. De Rijksoverheid wil bedrijven, organisaties en decentrale overheden helpen bij het realiseren van duurzame initiatieven die moeilijk van de grond komen.

Knelpunten

Knelpunten kunnen bestaan uit:

– Onduidelijkheid over vergunningen en regels;
– Gebrek aan financiering;
– Het niet kunnen vinden van samenwerkingspartners;
– Problemen bij het lanceren van nieuwe producten.

Graan Deals en Duurzamheidsagenda

In oktober 2011 werden de Green Deal aanpak en de Duurzaamheidsagenda gepresenteerd. Hierbij sloot de Rijksoverheid Green Deals af waarbinnen verschillende partijen samenwerken om knelpunten op te lossen. Ook decentrale overheden zijn betrokken bij deze Green Deal aanpak.

Landbouw beleid

De doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) zijn vastgesteld in art. 33 van het VWEU. De landbouwsector heeft specifieke kenmerken en een historische plaats in het Europees beleid. Daarom gelden er specifieke staatssteunregels voor de landbouwsector.

Plattelandontwikkelingsbeleid

In de Verordening plattelandsontwikkeling is het plattelandsontwikkelingsbeleid van 2007 tot 2013 vastgesteld en is de rol van plattelandsontwikkeling als tweede pijler van het GLB bevestigd.

Landbouw en staatssteun

In art. 88 en 89 van de Verordening staat specifieke staatssteunbepalingen. Steun voor plattelandsontwikkeling moet in overeenstemming zijn met het Verdrag (art. 5).

Milieusteun beleid

De doelstellingen van het Europese milieubeleid moeten door de Europese Commissie geïntegreerd worden in het staatssteunbeleid (art. 11 VWEU).

De vervuiler betaalt

In het staatssteunbeleid staat twee principes centraal: ‘de vervuiler betaalt’ en ‘internalisering van de kosten’. Ondernemingen moeten kosten die gepaard gaan met milieubescherming opnemen in hun productiekosten.

Interne markt

Staatssteun voor milieubescherming mag niet ten koste gaan van de concurrentie op de interne markt. De Commissie wil voorkomen dat slecht gerichte of onnodige staatssteun wordt toegekend. Bij de beoordeling en controle van milieusteun wordt de verstoring van de concurrentie afgewogen tegen het bereiken van milieudoelstellingen.

Milieusteun moet gericht zijn op de aanpak van marktfalen en een stimulerend effect hebben. Dit vloeit voort uit het Actieplan Staatssteun.

Sport en staatssteun beleid
Bevoegdheid EU

Volgens art. 6 VWEU is de EU bevoegd lidstaten te ondersteunen, coördineren en aan te vullen op onder andere het gebied van sport. Daarnaast geeft art. 165 aan dat de EU eerlijkheid en openheid van sportcompetities en samenwerking tussen organisaties wil bevorderen.

Europees werkplan voor sport

In mei 2014 is het Europese werkplan voor sport verschenen voor de periode 2014-2017. Het werkplan inventariseert de economische aspecten van sport, en besteedt met name aandacht aan een duurzame financiering van sport. Het plan gaat in op de volgende aspecten:

–       Ontwikkelingen op andere beleidsvelden (mededingingsregels, staatssteun, gemeenschappelijk belastingstelsel) van invloed op de financiering van de sportsector
–       Europese fondsen, zoals het Eurasmus+ programma,  die middelen beschikbaar stellen voor de sportsector
–       De uitwisseling van best practices

Mededeling Europese dimensie van sport

In januari 2011 verscheen een Mededeling over de Europese dimensie van sport. Deze vormt een aanvulling op het Witboek uit 2007.

Vervoer en milieu
‘Vervuiler betaalt’-principe

In juli 2008 heeft de Commissie een Mededeling, getiteld Strategie voor de Internalisering van de Externe Kosten van Vervoer opgesteld. De Europese Commissie wijst er in deze Mededeling op dat er volgens haar behoefte is aan een doelmatiger tarifering van het vervoer, die beter overeenstemt met de reële kosten van dat vervoer.

Handvatten voor mogelijkheden

In de mededeling worden enkele handvatten geboden voor het creëren van mogelijkheden om:

– de kosten van het goederenvervoer over de weg te internaliseren;
– duurzamer autogebruik te stimuleren;
– om een strategie voor de internalisering van de externe kosten van de overige vervoerwijze te ontwikkelen (luchtvaart, spoorvervoer, scheepvaart en waterwegen).

Gemeenschappelijk kader voor berekenen van kosten

In de technische bijlage bij de Mededeling wordt een gemeenschappelijk kader geboden voor de berekening van de externe kosten van congestie, luchtverontreiniging, geluidshinder en klimaatverandering op basis van gemeenschappelijke beginselen en een gemeenschappelijke methodologie.

Evaluatie maatregelen

De Commissie zal in 2013 een evaluatie van de maatregelen uit de strategie maken en onderzoeken welke voortgang er is geboekt op het gebied van internalisering. Rekening houdend met de resultaten van wetenschappelijk onderzoek zal de analyse van de externe kosten worden geactualiseerd. Indien nodig en rekening houdend met de geboekte vooruitgang, zullen andere externe kosten, zoals kosten in verband met biodiversiteit, natuur- en landschapskosten en ruimtebeslag, worden meegenomen in de analyse.

Nationaal beleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op nationaal niveau heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) in 2012 de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Daarin wordt onder ander de nieuwe rolverdeling Rijk-decentrale overheden uitgelegd. Provincies zijn onder andere verantwoordelijk voor het afstemmen tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal.

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking komt voor uit de SVIR. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat voor ondermeer bestemmingsplannen de treden van de ladder moet worden doorlopen. De handreiking ondersteunt decentrale overheden bij de toepassing van de ladder. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.

Meer informatie

Website Rijksoverheid, Ruimtelijke ordening en bereikbaarheid

Jurisprudentie

Breedband en staatssteun
Europese Commissie, 11 december 2007. Amsterdam Citynet

Zaak C-53/2006. In deze beschikking omlijnt de Europese Commissie het begrip MEIP aan de hand van vier criteria. Het is tot nu toe het enige breedbandbesluit waarin het MEIP werd getoetst.

Kapitaalinbreng
In deze zaak was sprake van kapitaalinbreng vanuit openbare middelen, samen met twee particuliere investeerders. Volgens de Commissie doorstaat de kapitaalinbreng van de gemeente Amsterdam de MEIP toets. Wanneer investeerders marktinvesteerders zijn, of de investeringen van particuliere investeerders hebben geen reële economische impact, vormt de kapitaalinbreng geen staatssteun.

Ook moet worden onderzocht of alle partijen de investering gelijktijdig hebben gedaan. Daarnaast moet worden nagegaan of de investeringsvoorwaarden voor alle aandeelhouders gelijk zijn. Tot slot kan er, als de gemeente, de andere investeerders of begunstigden buiten de investering om nog andere betrekkingen onderhouden (bijvoorbeeld in vorm van een bijlage waarin een overheidsgarantie wordt verleend), reden zijn tot twijfel of er sprake is van gelijkheid van investeerderwaarden.

Investering onder dezelfde voorwaarden
De Commissie heeft vastegesteld dat de gemeente Amsterdam onder dezelfde voorwaarde investeerde als de bij het project betrokken particuliere partijen. Daarmee kwam de Commissie tot de conclusie dat de investering van de gemeente geen staatssteun vormde in de zin van art. 107 lid 1 VWEU. De investering was in overeenstemming met het MEIP beginsel.

Europese Commissie, 26 oktober 2010. Breedband Beieren

Zaak N-299/2010. Op basis van art. 107 lid 3c VWEU  en de breedbandrichtsnoeren, heeft de Europese Commissie goedkeuring verleend voor het breedbandproject Beieren. De deelstaat heeft voldaan aan de transparantieverplichtingen van de richtsnoeren. Ze heeft een marktonderzoek verricht en openbare consultaties gehouden.

Witte gebieden
Beieren heeft de witte gebieden in kaartgebracht en wilde deze met de steun van breedbandtoegang voorzien. Volgens de Commissie is het aanbieden van breedband in deze gebieden over een periode van drie jaar onrendabel. De Commissie beoordeelt dat de steun proportioneel is.

Na het in kaart brengen van witte gebieden bleek er een martktfalen te bestaan. Hiervoor werden marktspelers geconsulteerd en hield Beieren een marktanalyse.

Criteria
Daarnaast hanteert Beieren een Europese aanbestedingsprocedure waarbij het emvi-criterium (economisch meest voordelige inschrijving) werd gehanteerd. De maatregel is neutraal ten aanzien van technologisch aanbod van breedbanddiensten en er wordt gebruik gemaakt van bestaande infrastructuur.

Beieren stelt wettelijk verplicht dat derden volledig toegang hebben tot het breedbandnetwerk voor een minimumperiode van zeven jaar. Ook partijen die geen aanmerkelijke marktmacht hebben, moeten op basis van de breedbandrichtsnoeren toegang verlenen aan toetreders van de breedbandmarkt.

Verder worden prijzen door middel van benchmarking vastgesteld en is er een terugbetalingsmechanisme om overcompensatie te voorkomen.

Europese Commissie, 6 november 2004. Pyrénées-Atlantiques

Zaak N-38/2004. In deze zaak classificeerde de Europese Commissie de universele toegang tot breedbanddiensten voor consumenten, ondernemingen en publieke instellingen als DAEB.De cofinanciering van het aanleggen van breedbandinfrastructuur in het departement Pyrénées-Atlantiquis werd als DAEB compensatie beschouwd. Er werd voldaan aan de vier Altmark-criteria.

Marktfalen
Het is een van de eerste beschikkingen waarin de Commissie marktfalen koppelt aan het vestigen van een DAEB. Franse autoriteiten hebben naar aanleiding van marktonderzoeken geconcludeerd dat de markt niet voorziet in het creëren van een universele toegang tot breedbanddiensten in het departement. Deze bestaat hoofdzakelijk uit plattelandsgebieden.

Het particulier initiatief van ondernemingen om breedbandinfrastructuur aan te leggen in minder rendabele gebieden zoals de regio Pyrénées-Atlantiques volstond niet. De commerciële internetdiensten die vervolgens via dit breedbandnetwerk geëxploiteerd worden, vallen niet onder deze definitie.

Europese Commissie, 19 juli 2006. Appingedam

Zaak C-35/2005. De Europese Commissie heeft de bovenstaande benadering in deze zaak herhaald. Zij stelde dat overheidsfinanciering van de aanleg van nieuwe breedbandnetwerken, naast bestaande breedbandinfrastructuur, wel als staatssteun moet worden beschouw.

Concurrentievervalsing
In Appingendam kwam er een nieuw breedbandnetwerk tot stand, door overheidssteun tegen voorwaarden onder de marktprijs. Dit zou leiden tot concurrentievervalsing op de markten voor retail-breedbanddiensten en andere elektronische communicatiediensten.

Europese Commissie, 20 juli 2010. Estwin

Zaak N-196/2010. In deze zaak keurde de Europese Commissie DAEB compensatiesteun goed op basis van:

– Art. 106 lid 2 VWEU;
– De Altmakvoorwaarden;
– De DAEB Vrijstellingsbeschikking;
– De Breedbandrichtsnoeren.

Estland heeft een project aangemeld dat het hele land van breedbanddekking moest voorzien. Volgens de Commissie voldoet Estland aan alle Altmarkvoorwarden, waaronder aanbesteding.

EU doelstellingen
De Commissie noemt een aantal EU doelstellingen die de DAEB compensatie mogelijk maakt, waaronder het tegen gaan van de digitale kloof tussen plattelands- en stedelijke gebieden. Ook noemt zij het stimuleren van sociale cohesie.

Marktfalen
Het marktfalen van de Estse markt is de voornaamste reden voor het goedkeuren van de compensatie. De markt kon niet voldoende kapitaalinjecties in dit project steken.

Openbare dienstverplichting
Tot slot heeft de Estse overheid aangegeven dat via een aanbestedingsprocedure meerdere ondernemingen die actief zijn op lokaal niveau, belast zullen worden met de openbare dienstverplichting.

Commissie
De Commissie heeft in de besluitpraktijk de marktfalenbenadering uit de eerste breedbandzaken vaste vorm gegeven. De toegang tot breedbandnetwerken in plattelandsgebieden waar effectief particulier initiatief uitblijft, geldt als DAEB. De markt kan niet voorzien in deze publieke dienst.

Daarnaast is de kans dat de Commissie de aanleg van breedband eerder goedkeurt op basis van de Europese doelstelling op het gebied van sociale cohesie en het tegengaan van een digitale kloof tussen plattelands- en urbane gebieden.

Van belang is dat compensatiesteun voor de aanleg van breedbandnetwerken voldoet aan de Altmarkvoorwaarden in combinatie met de bepalingen uit de breedbandrichtsnoeren. Uit par. 3.5.2. volgt dat ook nadere regelgeving van de Commissie over de toepassing van de Altmarkvoorwaarden en de staatssteunregels benut kan worden bij het vestigen van een DAEB voor de aanleg van breedband.

Openbaredienstconcessie en breedband

Wil een gemeente of een provincie de DAEB-aanpak onderzoeken, dan is uit de Franse Pyrénées-Atlantiques beschikking (N-38/2004) (en de vergelijkbare beschikkingen Limousin (N 382 /2004) en Hauts-de-Seine (N-331/2008) op te maken hoe de Commissie de criteria uit het Altmark-arrest bij het beoordelen van een openbaredienstconcessie voor de aanleg en het beheer van een breedbandnetwerk hanteert.

Gebieden met weinig dekking
In deze zaken ging het om gebieden met weinig dekking. De winnaar van de aanbesteding werd gekozen op basis van het laagst gevraagde steunbedrag. Het bedrag van de toegekende compensatie werd bepaald op basis van vooraf vastgestelde en transparante criteria. Zo kon de Commissie geen overcompensatie of risico aantonen.

Cultuur
Europese Commissie, 4 april 2011. Theater en circussteun Spanje

Zaak SA32119, 2011/N. Spanje melde culturele activiteiten in de theater- en circussector direct aan op de cultuuruitzondering van het VWEU. Het National Institute of Music and Performing Arts (INAEM) stelde een subsidieregeling in voor artiesten in deze sector.

Er werd ruim € 22 miljoen beschikbaar gesteld. De subsidie was voor iedereen in de EU toegankelijk, in praktijk zou het aantal begunstigden maximaal 500 artiesten bedragen.

Europese Commissie
De Europese Commissie verklaarde deze subsidie verenigbaar met de interne markt. Onder meer omdat de publieke financiering volgens de Commissie nodig was om het doel van promotie van cultuur te bereiken.

Het INAEM subsidieert alleen het minimum van de kosten die essentieel zijn voor het bewaren van cultuur. De regeling dekt 65% van de kosten.

Europese Commissie, 18 juli 2007 en 22 augustus 2008. Steun aan theater e.a. Baskenland

Zaken N 340/2007 en N 368/2008. In deze zaken over een steunregeling ten behoeve van theater, dans, muziek en audiovisuele activiteiten in Baskenland, stelt de Europese Commissie dat de genoemde activiteiten uitgeoefend kunnen worden door ondernemingen.

Lokale activiteiten
Ook al zal het vaak om lokale activiteiten zijn, effect op het handelsverkeer tussen lidstaten kan niet worden uitgesloten. De Commissie keurt de steun goed op basis van art. 107 lid 3d VWEU (voorheen art. 87 lid 3d EG-Verdrag).

Europese Commissie, 10 oktober 2007. Oostenrijk

Zaak NN 50/2007. Deze regeling voorziet in overheidsgaranties die federale musea in staat stellen om tentoonstellingen te organiseren die ook door andere internationale, voor toeristen aantrekkelijke musea interessant kunnen zijn.

Effect tussenstaatse handel
Zo heeft deze steunmaatregel effect op de tussenstaatse handel. De steun is goedgekeurd onder art. 87 lid 3d EG. Decentrale steun aan internationaal gerenommeerde musea valt onder de meldingsplicht.

Europese Commissie, 21 oktober 2008. Gemeente Rotterdam en Ahoy

Zaak C-4/08, ex N 97/07. Deze beschikking is interessant voor decentrale overheden die investeren in accommodaties voor culturele, sport- en recreatie-evenementen.

De Europese Commissie keurde op 21 oktober 2008 een investering van € 42 miljoen van Rotterdam goed. De investering ging naar de renovatie en uitbreiding van het Sportpaleis, een onderdeel van Ahoy’. Onderzoek heeft uitgewezen dat de investering geen onrechtmatig voordeel toekent aan de exploitant van het complex of aan een andere onderneming. De overeenkomsten met Rotterdam zijn namelijk tegen marktvoorwaarden (MEIP) gesloten. Deze maatregel houdt geen staatssteun in.

Ahoy’ complex
Het Ahoy’ complex omvat een Sportpaleis, tentoonstellingshallen en een groot vergader- en congrescentrum. Het biedt onderdak aan evenementen zoals tentoonstellingen, conferenties, handelsbeurzen, shows, concerten en sport- en maatschappelijke evenementen.

In 2006 privatiseerde Rotterdam de exploitatie van het complex en verhuurde het gebouw aan Ahoy’-Rotterdam N.V. Als eigenares van het complex investeert de gemeente in de renovatie en uitbreiding van het Sportpaleis.

Melding voorgenomen investering
In februari 2007 meldde Rotterdam de voorgenomen investering bij de Commissie. Zij nam het standpunt in dat de investering geen staatssteun vormde, omdat de gemeente geen selectief voordeel aan de exploitant van het complex verschaftte.

Europese Commissie
De Commissie onderzocht de voorwaarden waaronder transacties tussen de gemeente en de exploitant van het complex zijn gesloten. Zij concludeerde dat noch de aangemelde investering in het Sportpaleis, noch de daarmee samenhangende verkoop- en verhuurtransacties in verband met de exploitatie, een onrechtmatig voordeel aan de exploitant of een andere onderneming verlenen. Zij kwam met name tot de conclusie dat de prijs van de aandelen in Ahoy’-Rotterdam N.V. en de huurprijs van het complex marktconform zijn.

Europese Commissie, 28 juni 2007. Bataviawerf

Zaak N-377/2007. In deze beschikking bevestigd de Commissie dat de betrokken maatregel geen staatssteun is volgens art. 87 lid 1 EG.

Andere beschikkingen over steun aan musea

Zaak SA 32643, 2011/N, Baskische musea
Zaak N-630/2003, Local Museums – Region of Sardinia
Zaak NN 136a/2002, Ecomusée d’Alsace

Garanties
Europese Commissie, 4 april 2006. Marktpassageplan Haaksbergen

Zaak C-33/2005. Deze zaak laat een voorbeeld zien waarbij de Europese Commissie een garantstelling bij gebiedsexploitatie zowel aan de Mededeling grondtransacties als aan de Mededeling garanties toetste.

Toekenning kosten
De gemeente Haaksbergen had toegezegd om 35% van de mogelijke kosten in verband met schadevorderingen op grond van art. 49 Wet op Ruimtelijke Ordening toe te kennen aan de bij het project betrokken ontwikkelaars.

Mededeling garanties
Op basis van de Mededeling garanties 2000 (punt 2.1.2) kwalificeerde de Commissie deze toezegging als een voordeel voor de ontwikkelaars:

– ‘Het risico dat als gevolg van de schadevorderingen vergoedingen moeten worden uitbetaald, wordt gedeeltelijk door de overheid gedragen’;
– ‘De gemeente ontvangt voor deze gedeeltelijke garantie geen premie. Hierdoor ontlopen de ondernemingen de kosten die zij normaal in het kader van een bouwproject moeten dragen. Hetzij in de vorm van een garantie-/verzekeringspremie, hetzij (indien zij geen verzekering afsluiten) in de vorm van voorzieningen voor de mogelijke uitkering van een schadevergoeding. Er is derhalve sprake van een voordeel’.

Aldus de Commissie. Kortom, wilde de gemeente het voordeel voorkomen, dan hadden de ontwikkelaars voor deze garantie een passende garantiepremie moeten betalen

Grensoverschrijdend effect
Oostenrijkse tandartsen

In 2005 bevestigde het Hof van Justitie EU in de zaak Oostenrijkse tandartsen dat er niet kon worden uitgesloten dat in Oostenrijk gevestigde gespecialiseerde tandartsen concurreren met tandartsen die hun vak in andere lidstaten uitoefenen. Er was sprake van een grensoverschrijdend effect en Europese concurrentievervalsing.

Complex

De afweging van het criterium grensoverschrijdend effect en concurrentievervalsing blijft complex en kan risico’s voor decentrale overheden met zich meebrengen. De Europese Commissie is uiteindelijk bevoegd hier uitsluitsel over te geven.

Overige zaken

Zaak Philip Morris, over concurrentievervalsing
Zaak Eni Lanerossi, over concurrentievervalsing in één lidstaat
Zaak Wouters, over activiteiten die buiten het economisch verkeer vallen of neerkomen op het uitoefenen van een overheidsvoorrecht
Zaak Altmark (punt 81 en 82), over kleine ondernemingen en lage steunbedragen
Zaak Maribel, over grensoverschrijdend effect binnen een lidstaat
Zaken Zwembad Dorsten, Nederlandse jachthavens, Brighton West Pier en Steun voor Bataviawerf, over lokale activiteiten
Zaken Matra en Vlaams Gewest, over hoogte steunbedrag
Zaken Italiaanse Textielindustrie, Kimberley en BAI, over sociale en culturele steun
Zaak MuzyQ, over de garantstelling die de gemeente Amsterdam verleende aan het muziek centrum dat volgens de rechtbank geen staatssteun is

Groenblauwe diensten
Europese Commissie, 27 februari 2006. Groenfonds Midden-Delfland

Zaak N-33/2005. Voorafgaand aan de goedkeuring van de Catalogus Groenblauwe Diensten 2007 heeft de Europese Commissie begin 2006 steunmaatregelen van gemeenten Midden-Delfland, Delft en Den Haag ten behoeve van het Groenfonds Midden-Delfland goedgekeurd.

Handhavind open agragrisch landschap
Het doel van het fonds is de handhaving van een open agrarisch landschap met een hoge milieu- en culturele waarde. Uit het fonds gefinancierde activiteiten worden opgenomen in de Catalogus Groenblauwe Diensten.

Grondtransacties
Europese Commissie, 14 december 2004. Aircraft Services Lemwerder

Steunmaatregel C56/2003. In dit besluit werd de vergelijkingsmethode door de Commissie als een goede berekeningsmethode voor grondtaxatie beoordeeld.

Hierbij komt de grondprijs tot stand door vergelijking met de waarde van recentelijk verkochte vergelijkbare grond in de gemeente of de regio. In Oosterhout Zwaaikom (17 juni 2008 (Steunmaatregel N209/2008) heeft de Commissie dit standpunt herhaald.

Europese Commissie, 19 juni 2002. Terra Mítica/Valencia

Steunmaatregel C 42/2001. De Mededeling grondtransacties schrijft niet een specifieke taxatiemethode voor. Dit is de beleidsruimte van de lidstaten. Deze beleidsruimte is echter niet onbeperkt.

De Commissie heeft in de toepassing van de mededeling ruimte geboden voor de verschillende taxatiemethoden in de lidstaten en in Nederland zelf. In deze zaak heeft Commissie een grondberekeningsmethode die voorzag in de kapitalisering van de verwachte opbrengsten goedgekeurd.

De gebruikte grondberekeningsmethode in deze zaak, komt overeen met de residuele grondwaardeberekening. De residuele grondwaarde wordt bepaald door de kosten die gemaakt moeten worden om vastgoed te realiseren af te trekken van de opbrengsten van het vastgoed.

HvJ EU, 16 december 2010. Seydaland

Zaak C-239/09. Bij de discussie welke berekeningsmethode het meest geschikt is, kan nieuwe rechtspraak van het Hof van Justitie en de Raad van State mogelijk uitkomst bieden. Uit recente uitspraken volgt dat het de overheden van de lidstaten een bepaalde beleidsruimte laat in het berekeningssysteem van de grondwaarde, zolang deze berekeningsmethode tot een ‘reële marktwaarde’ leidt.

In deze zaak overwoog het Hof dat wanneer het nationale recht regels invoert ter berekening van de marktwaarde van grond ten behoeve van de verkoop daarvan door de overheid, de toepassing van die regels, met het oog op hun conformiteit met art. 107 VWEU, in alle gevallen moet leiden tot een prijs die de marktwaarde zo dicht mogelijk benadert. Aangezien die marktwaarde theoretisch is, behalve wanneer de verkoop plaatsvindt tegen het hoogste bod, moet, zoals de Commissie opmerkt in haar mededeling van 1997 inzake verkoop van grond en gebouwen door openbare instanties, een speling van de verkregen prijs ten opzichte van de theoretische prijs worden aanvaard.

Het Hof overweegt verder dat het ontbreken van een afdoende actualisatiemechanisme kan leiden tot verkoopprijzen die niet de werkelijke prijzen op de betrokken markt weerspiegelen. Het Hof antwoordt dat het staatssteunverbod van artikel 107 VWEU zich niet verzet tegen een nationale regeling die voorziet in berekeningsmethoden voor de vaststelling van de waarde van land- en bosbouwterreinen die door de overheid te koop worden aangeboden in het kader van een privatiseringsplan, zoals die in de Duitse regeling, voor zover die methoden voorzien in actualisering van de prijzen in gevallen waarin sprake is van een aanzienlijke prijsstijging, zodat de daadwerkelijk door de koper betaalde prijs de marktwaarde van die terreinen zoveel mogelijk benadert.

Overige Zaken

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze beleidsruimte bevestigd. Zie hiervoor de zaken ABRvS 29 juni 2011, Bestemmingsplan Perkpolder, gemeente Hulst, LJN BQ9692; ABRvS 13 april 2011, Centrumplan Haaren, LJN BQ1077. Deze nieuwe rechtspraak stelt in zo veel woorden dat bij grondtransacties het voornaamste punt is dat de werkelijke marktprijs wordt vastgesteld.

EUrrest oktober 2015

Het EUrrest van oktober 2015 gaat over decentrale overheden die transacties met gronden aangaan. Zij dienen rekening te houden met de Europese staatssteunregels. De hoofdregel is dat dergelijke transacties staatssteun kunnen opleveren als deze niet tot stand komen aan de hand van één van de methodes die zijn beschreven in de Mededeling Grondtransacties van de Europese Commissie. Echter, uit de in dit EUrrest besproken zaak volgt dat, in bepaalde gevallen, de methode van de verkoop tegen het beste bod, zoals is omschreven in de Mededeling Grondtransacties, niet geschikt is om de marktwaarde van een perceel vast te stellen. Is dat het geval, dat is het gerechtvaardigd om rekening te houden met andere factoren dan de prijs.

EUrrest september 2012

Het EUrrest van september 2012 gaat over het besluit over staatssteun voor het gebiedsontwikkelingsproject Kanaalzone Apeldoorn. Deze geeft een goede kijk op de wijze waarop de Commissie steunmaatregelen voor herontwikkelingsprojecten beoordeelt. Belangrijk punt bij de goedkeuring van onrendabele topfinanciering is dat stedelijke herontwikkeling een publiek belang dient en bijdraagt aan de Europese doelstellingen op het gebied van sociale en economische cohesie.

Kan staatssteun worden voorkomen?
Europese Commissie, 11 december 2007. Glasvezelnet Citynet Amsterdam

Zaak C-53/2006. Volgens de Commissie investeerde de gemeente Amsterdam, bij investering in een glasvezelnetwerk, onder dezelfde voorwaarden als de betrokken particuliere partijen. De investering vormde geen staatssteun, omdat deze in overeenstemming was met het zogenoemde MEIP-beginsel.

Vier criteria
Het Market Economy Investor Principle (MEIP-beginsel) wordt uiteen gezet aan de hand van vier criteria:

– De investeerders zijn marktinvesteerders. De investeringen van particuliere investeerders moeten een reële economische impact hebben;
– Alle betrokken partijen moeten de investering gelijktijdig hebben gedaan;
– De investeringsvoorwaarden moeten voor alle aandeelhouders identiek zijn;
– Er moet sprake zijn van gelijkheid van investeerderwaarden.

Marktconformiteit
Europees Gerechtshof, 28 maart 2012. Ryanair en Europese Commissie

Zaak T-123/09. In 2008 gaf de Italiaanse rijksoverheid een lening van € 300 miljoen aan Alitalia, omdat het in financiële problemen verkeerde. Deze lening werd te laat bij de Europese Commissie aangemeld, waardoor de steunverlening in strijd was met de standstillbepaling (art. 108 VWEU).

Ongeoorloofde staatssteun
De lening werd in november 2008 beoordeeld als ongeoorloofde staatssteun. De overheid moest de lening terugvorderen. Om de vliegmaatschappij te redden besloot de overheid vervolgens de vaste activa van Alitalia te verkopen. Hiervoor sloot zij een aantal verbintenissen, waarin werd vastgelegd dat de activa tegen de reële marktprijs moeten worden verkocht.

Beroep Ryanair
De Commissie beoordeelde dit als geoorloofde steun, zolang aan de afgesproken verbintenissen werd voldaan. Ryanair stelde beroep in tegen deze beslissing. Het Gerecht oordeelde vervolgens dat de lening van € 300 miljoen herstructureringssteun inderdaad ongeoorloofde staatssteun is.

Het Gerecht handhaaft het oordeel van de Commissie dat de verkoop van activa geen ongeoorloofde staatssteun is, mits de verkoopprijs met de marktprijs overeenstemt en de verbintenissen volledig worden nagekomen.

Europese Commissie, 11 december 2007. Glazvezelnet Citynet Amsterdam

Zaak C-53/2006. Volgens de Europese Commissie investeerde de gemeente Amsterdam bij investering in een glasvezelnetwerk, onder dezelfde voorwaarden als de betrokken particuliere partijen. De investering vormde geen staatssteun, omdat deze in overeenstemming was met het zogenoemde MEIP-beginsel.

MEIP-criteria
In dit besluit zet de Commissie het begrip MEIP uiteen aan de hand van vier criteria:

– De investeerders moeten marktinvesteerders zijn. De investeringen van particuliere investeerders moeten een reële economische impact hebben;
– Er moet worden onderzocht of alle betrokken partijen de investering gelijktijdig hebbe gedaan;
– Er moet worden nagegaan of de investeringsvoorwaarden voor alle aandeelhouders identiek zijn;
– Er moet sprake zijn van gelijkheid van investeerderwaarden.

Overige zaken

Zaak Intermills, voorbeeld van niet marktconform handelen
Zaak Pilot Transferium Sittard, over kans op niet marktconform voordeel verkleinen
Zaken Denkavit en BAI, over niet marktconforme steun
Zaken Steinike & Weinlig, Alfa Romeo, Tubacex en Ecotrade, over voordelen zonder marktconforme tegenprestaties

Milieusteun
PbEU, 30 november 2010. Provincie Limburg

Zaak C110/54. De provincie Limburg heeft een woningbouwstichting een ad hoc subsidie gegeven voor een energiebesparend en CO2 reducerend project. De kleine onderneming wil gasabsorptiewarmtepompen installeren op de daken van woonflats.

In het subsidiebesluit verwijst de provincie Limburg naar art. 21 lid 4 en 5 AGV. De subsidie dekt de extra kosten die nodig zijn om het hoge niveau van energiebesparing te bereiken. De provincie heeft de toegestane vereenvoudigde methode gehanteerd om extra kosten te berekenen (art. 21 lid 4 en 5 en art. 18 lid 6 en 7 AGV).

De provincie draagt 32% bij aan het project. Het steunbedrag blijft onder de toegestane drempel van 40%.

Nieuws

Europese Commissie publiceert nieuwe richtsnoeren staatssteun voor breedband

De Europese Commissie publiceerde op 26 januari 2013 vernieuwde richtsnoeren staatssteun voor breedband. De nieuwe richtsnoeren zijn van toepassing op alle aangemelde steunmaatregelen waarover de Commissie zich vanaf 27 januari 2013 moet uitspreken, zelf als de maatregel vóór die datum is aangemeld. De richtsnoeren zijn relevant voor decentrale overheden die zich bezig houden met breedbandprojecten en de Digitale Agenda.
Lees het volledige bericht

Kwartaalrapportage over het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid

Staatssecretaris Dijksma (Economische Zaken) heeft op 8 maart de kwartaalrapportage aan de Tweede Kamer uitgebracht. Deze ging over de stand van zaken van onderhandelingen over de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Decentrale overheden zijn op verschillende manieren betrokken bij landbouw en plattelandsontwikkeling, waardoor de uitkomsten van de toekomstige ontwikkeling van het GLB voor hen van belang zijn.

Lees het volledige bericht

Europese Commissie publiceert ontwerpversie nieuwe de-minimisverordening

Op 20 maart jl. heeft de Europese Commissie de ontwerp-de-minimisvrijstellingsverordening gepubliceerd. De ontwerptekst laat de meeste bepalingen uit de oude de-minimisvrijstelling 1998/2006 intact, maar voorziet wel in een verscherping van de handhaving van de-minimissteunverlening. Aansluitend heeft de Europese Commissie een consultatie over de ontwerptekst georganiseerd. Tot en met 15 mei kunnen onder meer decentrale overheden hieraan een bijdrage leveren.

Lees het volledige bericht

Staatssteunrapportage over 2012 van start

Gemeenten en provincies dienen in het kader van de staatssteunrapportage 2012 gegevens over lopende steunmaatregelen te rapporteren. Europa decentraal ondersteunt het Coördinatiepunt Staatssteun van BZK bij staatssteunrapportages en is eerste aanspreekpunt voor gemeenten en provincies voor de rapportage 2012. Betrokken gemeenten en provincies ontvangen van Europa decentraal deze week een rapportageverzoek met een nadere toelichting. Uiterlijk 3 mei 2013 dienen de opgevraagde rapportagegegevens bij Europa decentraal binnen te zijn.

Lees het volledige bericht

Hof van Justitie scherpt staatssteunregels aan

Overheden kunnen via mededelingen aangaande staatsmiddelen de markt beïnvloeden en daarmee in strijd zijn met de staatssteunregels. Dit blijkt uit het oordeel van het Hof van Justitie in de zaak van de Europese Commissie tegen Frankrijk en France Télécom. De uitspraak is bijzonder omdat het Hof van Justitie overheidsingrijpen in de markt met deze uitspraak breder uitlegt dan het beschikbaar stellen van staatsmiddelen.
Lees het volledige bericht

Praktijk

Algemene groepsvrijstellingsverordening praktijk
Kennisgevingsprocedure AGVV

Binnen twintig dagen na de inwerkingtreding van een steunmaatregel onder de AGVV moet de betreffende decentrale overheid, namens de lidstaat, de Europese Commissie op de hoogte stellen door middel van kennisgeving. Er hoeft geen officiële melding gedaan te worden.

Gemeenten en provincies

Via het Coördinatiepunt Staatssteun van het Ministerie van BZK vraagt een gemeente of provincie een SANI-account aan. Daarin worden de gegevens aangeleverd. Het ministerie controleert de gegevens. De gemeente of provincie stuurt de kennisgeving door naar de Permanente Vertegenwoordiging bij de EU (PVEU) in Brussel die namens de lidstaat de melding indient bij de Commissie.

Waterschappen

Via het ministerie van I&M, Hoofddirectie Juridische Zaken/Algemeen Bestuurlijk-Juridische Zaken vraagt een waterschap een SANI-account aan. Daarin worden de gegevens aangeleverd. Het ministerie controleert de gegevens. Het waterschap stuurt de kennisgeving door naar de PVEU in Brussel die namens de lidstaat de melding indient bij de Commissie.

SANI

Via het online meldingssysteem State Aid Notifications Interactive (SANI) kunnen decentrale overheden staatssteun of vrijgestelde staatssteun melden of ter kennis geven. Via het betreffende ministerie kan er een account aangevraagd worden.

Kennisgevingsformulier

In bijlage III AGVV staat het benodigde formulier voor de kennisgeving. Deze kan via SANI ingevuld worden. De benodigde gegevens worden ook via SANI verstrekt. Via een compleet formulier stellen decentrale overheden de Commissie op de hoogte. Deze onderzoekt de kennisgeving niet inhoudelijk, maar kan deze wel achteraf controleren. Is het formulier niet compleet, dan kan de Commissie om aanvullende informatie vragen. Het formulier is een samenvatting van de steunmaatregel.

Decentrale overheden zijn verplicht de Commissie jaarlijks te rapporteren over de vrijgestelde staatssteun.

Publicatie steunmaatregel

De Commissie publiceert de samenvatting in het Publicatieblad van de EU en op haar eigen website. De decentrale overheid dient de volledige tekst van de steunmaatregel op internet te publiceren. Hierin zit verschil tussen een steunregeling en ad hoc steun:

1. Steunregeling

De tekst bevat de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden die de naleving van de toepasselijke bepalingen van de AGVV garanderen. De tekst moet toegankelijk blijven zolang de steunregeling van kracht is. De website waar de maatregels is te vinden, wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de EU.

2. Ad hoc steun

De tekst bevat een uitdrukkelijke verwijzing naar de bijzondere bepalingen uit hoofdstuk II AGVV op basis waarvan deze steun is verleend. Er moet verwezen worden naar de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden die de naleving van de toepasselijke bepalingen van de AGVV garanderen.

Commissiebrief over stimulerend effect steun aan grote ondernemingen

Decentrale overheden mogen alleen steun op basis van AGVV geven, als dit daadwerkelijk een stimulerend effect heeft. De steunmaatregelen moeten reëel bijdragen aan het scheppen van banen en het versterken van het Europees concurrentievermogen.

Aantonen stimulerend effect

Wanneer grote ondernemingen de AGVV steun krijgen, moeten zij bij de steunverlenende overheid duidelijk aantonen, dat dit stimulerend effect heeft. De begunstigde onderneming levert hiervoor documenten in, die aan drie eisen moeten voldoen:

1. De levensvatbaarheid van het project met en zonder steun, moet goed onderzocht zijn.
2. Het document moet aan de steunverlener ter beschikking zijn gesteld.
3. Het document moet een geloofwaardige analyse van het stimulerend effect bevatten.

De steunverlenende overheid controleert de documenten zorgvuldig.

Informatiewijzer staatssteun

Meer hierover leest u in de Informatiewijzer Staatssteun, hoofdstuk 6 en checklist.

Garanties praktijk

De methodiek van de Mededeling over garanties komt voor in de beschikking over de Garantieregeling Groeifaciliteit van het ministerie van EZ

Marktpassageplan Haaksbergen

In de zaak Marktpassageplan Haaksbergen had de gemeente toegezegd om 35% van de mogelijke kosten voor schadevorderingen toe te kennen aan de betrokken ontwikkelaars. Dit op grond van de toen geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Voordeel voor ontwikkelaars

Op basis van de Mededeling over de garanties bracht deze toezegging volgens de Commissie voordeel voor de ontwikkelaars. Het risico dat schadevergoedingen eventueel uitbetaald moeten worden, wordt door de gemeente gedragen.

Ook ontvangt de gemeente geen premie voor deze gedeeltelijke garantie, waardoor de ondernemingen bepaalde kosten ontlopen. Wilde de gemeente het voordeel voorkomen, dan hadden de ontwikkelaars voor deze garantie een passende premie moeten betalen.

Green Deals praktijk
Green Deal Provincie Flevoland

Deze Green Deal werd gesloten tussen de provincie Flevoland, alle gemeenten uit de provincie, waterschap Zuiderzeeland, HVC en Alliander. De deal is gericht op verduurzaming via de oprichting van DE-on, een professionele ontwikkelingsmaatschappij die Flevoland in 2020 energieneutraal moet maken. Hiervoor is € 1 miljard aan investeringen nodig. De Rijksoverheid is bereid een financiële bijdrage beschikbaar te stellen.

Green Deal Westland

Deze Green Deal betreft het opzetten van een biobased park in het Westland. Verschillende bedrijven zijn hier fysiek gekoppeld voor het verwaarden van plantaardig restmateriaal uit de tuinbouw en GFT-afval uit Westland. De Rijksoverheid ondersteunt met kennis en regie het verkrijgen van vergunningen en spant zich in voor het aanpassen van knellende wet- en regelgeving.

Green Deal Rotterdam

Met deze Green Deal wordt de CO2-uitstoot in 2025 in Rotterdam gehalveerd en de Rotterdamse economie versterkt aan de hand van de volgende doelstellingen:

– Duizend elektrische voertuigen en oplaadpunten per 2014;
– 25% van het gemeentelijk wagenpark is elektrisch of hybride;
– De aanleg van een stoomleiding die in 2013 circa 20.000 ton CO2 bespaart en in 2017 400.000 ton.

Andere onderdelen van de Green Deal zijn energieprestatie contracten voor gebouwen, windenergie op de maasvlakte en een klimaatneutrale wijk. De Rijksoverheid draagt hier aan bij door het wegnemen van knelpunten in regelgeving, een financiële bijdrage, meewerken aan ontwerpen en projecten en het vereenvoudigen van regelgeving.

Landbouw praktijk
Bedrijfsbeëindiging grondgebonden agrarische gebieden

Steunmaatregel SA 31586. De provincie Groningen had op basis van titel 4:2 Awb, de provinciale kaderverordening subsidies en de provinciale beleidsregel bedrijfsbeëindiging grondgebonden agrarische gebieden een subsidie verleend voor het beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van tuinbouwers.

Steun aan een bepaalde sector in een bepaalde regio is altijd selectief en een subsidie levert een niet-marktconform voordeel op. Er is daarom sprake van staatssteun. De Commissie keurt echter de steun goed om de volgende redenen:

– De steun draagt bij aan een milieudoelstelling. Het voornaamste doel van de subsidie voor bedrijfsbeëindiging is natuurontwikkeling in het kader van de EHS en biodiversiteit;
– De grond mag niet meer voor landbouwdoeleinde worden gebruikt en krijgt een milieubestemming. Het einde van het landbouwgebruik heeft geen negatieve gevolgen voor het milieu;
– De productielocatie is de afgelopen vijf jaar in bedrijf geweest;
– De onderneming verkeert niet in moeilijkheden;
– De steunmaatregel is voor alle marktdeelnemers in de sector toegankelijk zijn;
– De gronden zijn getaxeerd. Er is niet meer dan 20 % van de waarde van de betrokken grond gesubsidieerd.

Subsidieverordening inrichting landelijk gebied

Een voorbeeld van kennisgeving onder de MKB-Vrijstelling, is de subsidieverordening inrichting landelijk gebied van de provincie Utrecht.

De provincie heeft een subsidieregeling voor o.a. opleidingssteun, kennisdeling, technische ondersteuning en het organiseren van bijeenkomsten voor fruittelers ingericht, op basis van art. 15 MKB-Vrijstelling. Het doel van de subsidieregeling is het mogelijk maken van een duurzame bestrijdingsmethode voor fruitteeltondernemingen tegen fruitmot.

Subsidieregeling investeringen in duurzame stallen

De subsidieregeling van het ministerie van EL&I (toen LNV) is succesvol onder de landbouwrichtsnoeren geschaard. De regeling is van toepassing op de extra kosten die primaire landbouwbedrijven maken voor investeringen in dierenwelzijn, milieu en de gezondheid van dieren. Deze extra kosten maken de bouw, inrichting of verbetering van duurzame dierenstallen mogelijk.

Volgens de Europese Commissie draagt de subsidieregeling bij aan doelstellingen op het gebied van kwaliteitsverbetering en duurzaamheid. De steunmaatregel draagt ook bij aan de oplossing van problemen op het gebied van duurzaamheid in de Nederlandse veehouderijsector. Het effect van de subsidieregeling werd aan het Europese plattelandsontwikkelingsprogramma gekoppeld.

Boerderijeducatie (Taskforce Multifunctionele Landbouw)

Decentrale overheden kunnen tot € 200.000,= steun aan boerderijeducatie verlenen, dit hoeft niet gemeld te worden bij de Commissie. Boerderijeducatie wordt niet gezien als onderdeel van het productieproces van landbouwproducten, daardoor kan het profiteren van een hoger steunplafond onder de reguliere De-minimisvrijstelling.

Taskforce Multifunctionele Landbouw heeft hier onderzoek naar laten doen. Aanleiding voor het onderzoek was een amendement van Provinciale Staten uit 2008, waarbij geld was uitgetrokken voor boerderijeducatie aan basisscholen. Onderzocht is hoe decentrale overheden boerderijeducatie kunnen financieren zonder staatssteunregels te overtreden. De resultaten zijn verwerkt in de Handreiking boerderijeducatie uit publieke middelen.

Volgens de handreiking groeit het besef dat het leerzaam is kinderen te leren waar voedsel vandaan komt, wat een verantwoordelijke omgang met dieren is en hoe voedselproductie zich verhoudt tot de natuurlijke omgeving waarin die plaatsvindt. Scholen hebben hier vaak geen budget voor, terwijl er decentrale overheden zijn die dit willen financieren.

Bij deze financiering moet rekening gehouden worden met Europese regelgeving over staatssteun en aanbesteding. Voor overheidsbetalingen aan agrariërs gelden strikte eisen. Betalingen voor boerderijeducatie vallen niet onder staatssteun en kunnen daarom vallen onder de De-minimisvrijstelling. Er mag dus maximaal € 200.000,= steun per drie belastingjaren per onderneming worden verleend.

Beschikking Boeren voor Natuur

In juli 2006 heeft de Commissie staatssteun goedgekeurd aan het project ‘Boeren voor Natuur’. Op twee plaatsen in Nederland gaan boerenbedrijven landbouw en natuur- en landschapsmaatregelen combineren. Het project wordt financieel gesteund door het Rijk, de provincies Overijssel en Zuid-Holland, de gemeenten Delft, Hof van Twente en Pijnacker-Nootdorp, het stadsgewest Haaglanden, het Hoogheemraadschap van Delfland en het waterschap Regge en Dinkel.

Het project wijkt sterk af van de gangbare agrarische bedrijfsvoering, omdat de boeren milieuvriendelijker en duurzamer manier van werken. De bedrijfsvoering is gesloten, op het bedrijf worden geen (kracht)voer en meststoffen van buiten het bedrijf aangevoerd en er worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. De bedrijven maken op hun grond landschapselementen, zoals hagen en houtwallen. Dit is een nieuwe vorm van bedrijfsvoering: landschap, natuur en agrarische productie worden in verband met elkaar ontwikkeld voor het hele bedrijf.

De steunmaatregel betreft twee submaatregelen:

1. Extensief en milieuvriendelijk boeren
Volgens de Commissie is er sprake van staatssteun die verenigbaar verklaard kan worden met het EG-Verdrag. De Commissie heeft deze maatregel beoordeeld in het ligt van de (oude) Communautaire richtsnoeren voor staatssteun aan de landbouwsector (punt 5.3.1.) en principes van hoofdstuk VI Verordening 1257/1999.

2. Verandering van landbouwgrond in natuurterrein
De Commissie concludeert dat er geen sprake is van staatssteun in de zin van het Verdrag betreffende de werking van de EU, onder meer omdat de betrokken landbouwer elke mogelijkheid verliest om een economische activiteit op een deel van zijn land uit te oefenen.

Leningen praktijk

In 2006 gaf de Europese Commissie goedkeuring aan leningen die enkele gemeenten en de BNG aan de Vereniging van Aanbieders van Oud Papier hadden verstrekt. De leningen voldeden aan de voorwaarden die ook voor een particuliere investeerder aanvaardbaar zouden zijn.

De VAOP heeft dus geen niet marktconform voordeel ontvangen dat op staatssteun zou kunnen wijzen.

Milieusteun praktijk
Vrijgestelde steunmaatregelen onder de AGVV

Enkele voorbeelden van vrijgestelde steunmaatregelen onder de AGVV zijn:

– Energiebesparing woningcorporatie, provincie Limburg;
– Subsidieregeling ‘stimulering verbetering luchtkwaliteit’, provincie Noord-Holland;
– Eenmalige subsidie NUON Helianthos voor flexibele zonnecellen, stadsregio Arnhem-Nijmegen;
– Bio-energiecentrale Meerhoven, gemeente Eindhoven;
– Subsidie aan Biomassacentrale Treurenburg, provincie Noord-Brabant;
– Garantiefonds Energie, provincie Utrecht.

Zie Voorbeelden van vrijgestelde steunmaatregelen onder de AGVV voor uitgebreide informatie over bovenstaande voorbeelden.

Goedgekeurde steunmaatregelen onder de Richtsnoeren

Enkele voorbeelden van goedgekeurde steunmaatregelen onder de Richtsnoeren zijn:

– Beschikkingen over windenergie;
– Nederlandse garantiefaciliteit voor geothermische energie;
– Subsidieregeling Vitaal, provincie Gelderland;
– Warmtebedrijf NV, gemeente Rotterdam;
– Eneco duurzame energie, provincie Zuid-Holland.

Zie Voorbeelden van goedgekeurde steunmaatregelen onder de Richtsnoeren voor uitgebreide informatie over bovenstaande voorbeelden.

Beschikkingen over windenergie

In 2011 keurde de Europese Commissie een reeks Nederlandse steunmaatregelen voor windenergie goed op basis van de Richtsnoeren:

– Aid for offshore wind farm Buitengaats (SA.31961);
– Aid for offshore wind farm Zee energie (SA.31962);
– Wind farm project Acousticon (SA.32855);
– Creil (SA.32856);
– Zuidermeerdijk (SA.32857);
– Wind farm project VWW (SA.32858);
– Westermeerwind (SA.32859).

Deze beschikkingen zijn nog niet gepubliceerd.

Risico niet-naleving

In Nederland zijn er voorbeelden van zaken waar een concurrent van een begunstigde onderneming de bepaling van art. 108 lid 3 VWEU oproept:

– Samenwerkingsverband Noord-Nederland en de gemeente Groningen tegen Stichting Prins Bernardhoeve (een overheidssubsidie voor de verbouwing van het evenementencomplex Martinihal);
– Essent tegen de gemeente Appingendam (aanleg van een gemeentelijk glasvezelnetwerk);
– UPC tegen de gemeente Amsterdam (gemeentelijke betrokkenheid in Glasvezelnet Amsterdam).

Gemeente Noordwijk

Ook in zaken die over de aanbestedingsplicht van gemeenten gaan, wordt beroep gedaan op staatssteun. Zo heeft de eiser in het kort geding tegen gemeente Noordwijk over de herontwikkeling van de locatie Rederijkersplein gesteld dat zij de Commissie laat onderzoeken of het samenwerkingsverband tussen de gemeente en de gekozen ontwikkelaar aan de staatssteunregels voldoet.

Het vermoeden van staatssteun bestaat, omdat de gemeente voor de verkoop van de grond geen onafhankelijke taxatie heeft laten uitvoeren en evenmin voor een onafhankelijke biedprocedure heeft gekozen (zaak BF4232).

Risicokapitaal praktijk

Agro&Co Kapitaalfonds in Noord-Brabant is een voorbeeld van een risicokapitaalfonds. Zij nemen deel in initiatieven die bijdragen aan systeeminnovaties in de agrarische sector, waarvoor financiering uit de markt moeilijk is te vinden.

Oprichting investeringsfonds

De provincie Noord-Holland heeft bij de Risicokapitaalregeling Duurzame Energie een investeringsfonds opgericht. Dit heeft tot doel het investeren in MKB ondernemingen die zich bezighouden met onderzoek naar en de ontwikkeling van technologieën van duurzame energie en voornemens zijn nieuwe producten en diensten op de markt te brengen.

Steun voor het MKB praktijk
AGVV

Subsidieprogramma Zuid-Nederland, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg
Noordelijke Innovatie Ondersteuningsfaciliteit, SNN
Human Resource Mangement Plus, SNN
Ad hoc subsidie Gebiedscoöperatie Oregional, Arnhem/Nijmegen
Subsidieregels koersvast Limburg, Quick Scan
Regeling Technologische Innovatie en Milieu Innovatie, Flevoland 

MKB-Landbouwvrijstellingsverordening

Pilots duurzaam ondernemen, Utrecht
Projecten duurzame landbouw, Utrecht
Stimulering Agro-innovatie in Limburg, Limburg
Veldmakelaars groenblauwe diensten, Limburg
Subsidieverlening natuur, fosfaat en landbouw, Noord-Brabant
Subsidieregeling convenant Stuurgroep Landbouw Innovatie, Noord-Brabant 

Richtsnoeren risicokapitaal en Kaderregeling O&O&I

Aanpassing risicokapitaalregeling ODR module 9
Belastingfaciliteit voor MKB-beleggingen door particulieren, ministerie van Financiën 

Wijziging bestemmingsplan praktijk

Een voorbeeld van een wijziging in het bestemmingsplan waar geen uit staatsmiddelen bekostigd voordeel uit voortkomt, is de gemeente Madrid die een wijziging toebrengt die ten voordele is voor voetbalclub Real Madrid. In het antwoord van de Commissie en onder Staat en staatsmiddelen leest u meer.

Praktijkvragen

Biedt het gebruik van de DAEB-de-minimisverordening voordelen ten opzichte van het DAEB Vrijstellingsbesluit?
Bij ons in de gemeente is een onderneming gevestigd die jongeren met een crimineel verleden de kans biedt om werkervaring op te doen en te re-integreren in de samenleving. Om dit bedrijf in staat te stellen deze jongeren de juiste begeleiding en opleiding te verschaffen, wil de gemeente het bedrijf een subsidie van € 300.000 verstrekken. Kan – een dergelijke subsidie – mits juist vormgegeven- gekwalificeerd worden als compensatie voor de uitvoering van een dienst van algemeen economisch belang (DAEB)? En, zo ja, biedt het gebruik van de DAEB-de-minimisverordening voordelen in vergelijking met het DAEB Vrijstellingsbesluit om deze steun zogezegd ‘staatssteunproof’ te verlenen?

Bekijk het antwoord

Gelden bij de-minimissteun voor pendelbusjes aan een disco de staatssteunregels voor vervoer?
Onze gemeente wil een discotheek subsidie geven voor de aanschaf en exploitatie van busjes die in de zomer jongeren vervoeren tussen stads- en dorpskernen en een aantal discotheken in de regio. De busservice wordt door vrijwilligers uitgevoerd. Als wij de-minimissteun verlenen, moeten wij dan rekening houden met het speciale steunregime voor de vervoerssector?

Bekijk het antwoord

Geldt het de-minimisplafond van € 200.000 per lidstaat?
De gemeenteraad wil een onderneming € 150.000,- steun verlenen om onderzoek te verrichten naar armoede in onze gemeente. Dit onderzoek sluit aan bij één van de thema’s die centraal staan tijdens het Nederlands voorzitterschap. Voor deze steun willen wij gebruik maken van de de-minimisverordening. Aangezien zowel de begunstigde onderneming als onze gemeente is gevestigd in een grensstreek, vragen wij ons af of wij rekening moeten houden met de-minimissteun, die aan deze onderneming is verleend, door een overheid uit een aangrenzende lidstaat.

Bekijk het antwoord

Hoe kunnen we lopende steun in overeenstemming met de nieuwe AGVV maken?
Onze provincie heeft de afgelopen jaren regelmatig de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) toegepast om ondernemingen te kunnen steunen. De AGVV is gebruikt om zowel steunregelingen als individuele steun ‘staatssteunproof’ te maken. Onlangs is de nieuwe AGVV in werking getreden. Hoe moeten wij omgaan met steun die is kennisgegeven onder de oude AGVV en die langer doorloopt dan dat deze verordening geldig is?

Bekijk het antwoord

Hoe netto-inkomsten museum berekenen conform vrijstelling cultuursteun in nieuwe AGVV?
Onze provincie wil een subsidie geven voor de restauratie van een museum. Het gaat om een groot bedrag investeringssteun en om een museum met internationale uitstraling. Om deze subsidie staatssteunproof te maken, wil de provincie de cultuurvrijstelling (artikel 53) in de nieuwe Algemene groepsvrijstellingsverordening gebruiken. Lid 6 stelt echter als voorwaarde dat netto-inkomsten moeten worden terugbetaald. Onze subsidie wordt alleen verleend voor de restauratie van monumentale onderdelen en niet voor de kunstcollectie. Moeten wij bij het berekenen van netto-inkomsten nu de inkomsten van het hele museum meenemen? En welke termijn moet de provincie aanhouden: de looptijd van de subsidie of de afschrijvingsperiode van de investering?

Bekijk het antwoord

Hoe voorkom je als gemeente ongeoorloofde staatssteun aan derden?
Onze gemeente wil steun verlenen aan een stichting die een multifunctioneel wijkcentrum wil exploiteren waarin verschillende activiteiten worden georganiseerd. Met de subsidie wil de stichting het wijkcentrum een impuls geven. Voor de uitvoering hiervan neemt de stichting verschillende goederen en diensten af van derden, en rekent ze een verlaagde huur aan de gebruikers. Is er nu sprake van indirecte staatssteun op het ‘tweede niveau’, en zo ja hoe moet de gemeente erop toezien dat de staatssteunregels niet worden overtreden?

Bekijk het antwoord

Publicaties

Cultuur

Informatiewijzer Staatssteun, Europa decentraal en ministerie van BZK
‘Pluk de vruchten van de interne markt’, Europa decentraal en Universiteit Utrecht, december 2011
‘1001 vragen over staatssteun’, Europa decentraal, 2008

Grondtransacties publicaties

Handreiking Grondtransacties en Staatssteun, met achtergrondinformatie over het Europese kader
Handreiking Staatssteun en stedelijke vernieuwing
Staatssteun en gebiedsontwikkeling – een inventarisatie voor verdere discussie, prof. dr. B. Hessel, Tijdschrift voor Bouwrecht 149, november 2012, p. 781-791

Vastgoedtransacties sneller staatssteunproof

Vastgoedtransacties sneller staatssteunproof, A.D.L. Knook, Tijdschrift voor Bouwrecht 6, 2011, p. 374-380. De auteur maakt een analyse van de meest actuele jurisprudentie van het Hof van Justitie EU en de ABRvS over grondtransacties en staatssteun. Daarbij bespreekt de auteur het belangrijke arrest Seydaland van het Hof . Uit dit arrest volgt dat de Mededeling grondtransacties overheden een bepaalde beleidsruimte laat in het berekeningssysteem van de grondwaarde, zolang deze berekeningsmethode tot een ‘reële marktwaarde’ leidt .

De Mededeling staatssteun bij verkoop van grond en gebouwen: simpel maar effectief?

Land sales and state aid, L. de Jong- Goris, Tijdschrift voor Staatssteun 1m 2011, p. 5- 12. De auteur gaat in op de omvangrijke beschikkingspraktijk van de Europese Commissie en Europese en Nederlandse jurisprudentie inzake de toepassing en handhaving van de Mededeling over staatssteun en grondtransacties.

Staatssteun bij locatieontwikkeling

A.G. Bregman, Staatssteun bij locatieontwikkeling, Bouwrecht 2005, Aflevering 6 (BR 2005/108), p. 470-475. Tot voor kort was het verbod op ongeoorloofde staatssteun, zoals bedoeld in art. 87 van het EG-Verdrag (art. 107 VWEU), een nauwelijks besproken onderwerp in relatie tot locatieontwikkeling. De afgelopen periode is de aandacht voor vraagstukken op dit terrein aanmerkelijk toegenomen, in het bijzonder door enkele rechterlijke uitspraken in verband met staatssteun op dit terrein. In dit artikel gaat de auteur in op de betekenis van de staatssteunproblematiek voor locatieontwikkeling.

Staatssteun en gebiedsontwikkeling

Staatssteun en gebiedsontwikkeling, I. Klinge – van Rooij, P. Stol, Het Tijdschrift voor Vastgoedrecht 5, 2006. De auteurs gaan in op de beschikking van de Commissie over het Marktpassageplan Haaksbergen en de vragen die deze opwerpt met betrekking tot financiering van onrendabele projecten .

Stedelijke vernieuwing en de Europese regels van staatssteun

Bart Hessel, Ilze Jozepa, Stedelijke vernieuwing en de Europese regels van staatssteun, Gemeentestem 2004. In dit artikel staat de vraag centraal hoe gemeenten bij projecten van stedelijke vernieuwing reeds bij de vormgeving van hun beleid problemen met staatssteun kunnen voorkomen.

Landbouw publicaties

Boek Pluk de vruchten van de interne markt, Europa decentraal en Universiteit Utrecht
Boek 1001 vragen over staatssteun, Europa decentraal

Artikelen Europa decentraal uit de reeks In 10 stappen op de hoogte:

Andere publicaties

Regiebureau POP over het nieuwe GLB
Programmadocument POP2, met in tabel 9 de specificaties van de staatssteunkaders waarbinnen POP2 viel
Handreiking Boerderijeducatie uit publieke middelen, mogelijkheden voor decentrale overheden

 

Lokale en regionale omroepen publicaties

Vragen en antwoorden nieuwe regels staatssteun aan publieke omroepen, Europese Commissie
Uitkomsten publieksconsultatie over de ontwerpvoorstellen, Europese Commissie
Nederlandse bijdrage aan de eerste publieksconsultatie
Mededeling staatssteun en openbare omroepen
Overzicht van besluiten, over toepassing staatssteunregels publieke omroepen
Financiële ondersteuning van regionale en lokale publieke omroepen, de randvoorwaarden van het Gemeenschapsrecht
Mediawet 2008

Wet- en regelgeving

Breedband en staatssteun wet- en regelgeving
Richtsnoeren staatssteun voor breedband

Decentrale overheden moeten rekening houden met beleidsregels die gelden bij staatssteun voor breedbandprojecten. Op 17 september 2009 heeft de Europese Commissie voor het eerst breedbandrichtsnoeren vastgesteld (Pb [2009] C 235/4 en IP/09/1332).

Doelen

De belangrijkste doelen van de breedbandrichtsnoeren zijn:

– Het behoud van de mededinging en het ondersteunen van de totstandkoming van meer concurrerende en duurzame markten in de sector elektronische communicatie.
– Het voorkomen van onaanvaardbare verstoringen van de mededinging, aantasting van de prikkels voor privé-investeringen en verdringing van commerciële initiatieven.
– Het vergroten van het consumentenwelzijn door een ruime en snelle uitrol van breedbandnetwerken.
– Het aansporen van overheidsinstanties om de ‘digitale tweedeling’ te verkleinen op terreinen waarop commerciële marktdeelnemers niet wensen te investeren.
– Een bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU2020-strategie en de daaruit voortvloeiende Digitale Agenda.

Besluitpraktijk lidstaten

De breedbandrichtsnoeren bundelen de besluitpraktijk van lidstaten over de financiering van breedbandprojecten en de toepassing van staatssteunregels. Zo geeft de Commissie inzicht in haar beleid ten aanzien van staatssteun voor de uitrol van traditionele basisbreedbandnetwerken. Ook stelt de Commissie een aantal aanvullende criteria vast, waaraan steun voor de uitrol van NGA-netwerken wordt getoetst.

Resultaten

Op basis van de breedbandrichtsnoeren keurde de Commissie tussen september 2009 en januari 2011 dertig breedbandmaatregelen van (decentrale) overheden goed. Dit kwam neer op een bedrag van 2,1 miljard euro aan ‘concurrentiebevorderende overheidsfinanciering’.

Herziening richtsnoeren

De richtsnoeren moeten uiterlijk drie jaar na bekendmaking worden geëvalueerd. In een persbericht gaf de Commissie aan dat aanpassing nodig is door de snelle, actuele ontwikkelingen op de markt, technologie en regelgeving. Medio 2011 is de eerste consultatieronde gestart. Dit wordt gebruikt voor de herziening van de richtsnoeren, die voor eind september wordt verwacht.

Doel herziening

Het doel van de herziening is om niet alleen de publieke en private investeringen in de aanleg van breedband te inventiviseren, maar ook om de concurrentie te vergroten. Belangrijke thema’s in de eerste consultatieronde zijn:

– de voorwaarde voor de toegang tot en aanleg van NGA-netwerken;
– De afbakening van de dekkingsgraad van breedband (de zogenaamde witte, grijze en zwarte gebieden);
– De rol van nationale toezichthouders en decentrale overheden.

Cultuur

Art. 107 lid 3d VWEU zondert cultuursteun uit van het staatssteunverbod. Steun om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen is verenigbaar met de interne markt.

Voorwaarden

Uit de beschikkingspraktijk van de Europese Commissie kunnen de volgende voorwaarden voor cultuursteun worden afgeleid:

– Voldoet de culturele instelling aan de definitie van onderneming en internationaal publiek, dan moet de staatssteun mogelijk worden gemeld. Heeft de instelling alleen lokaal bereik, dan is dat niet het geval;
– De Commissie past de cultuuruitzondering strikt toe. Een decentrale overheid moet daarom een goede onderbouwing van het cultureel belang van de steunmaatregel geven;
– Kruissubsidiëring met puur commerciële activiteiten moet voorkomen worden. Dat kan door een gescheiden boekhouding. Dit aspect wordt steeds relevanter. Culturele instellingen ontplooien steeds vaker commerciële (neven)activiteiten.

In de beschikking over steun aan het luchtvaartmuseum Aviodrome komen deze voorwaarden duidelijk naar voren (zie jurisprudentie).

Melding verplicht

Het voornemen om staatssteun aan cultuur te verlenen, moet vooraf gemeld worden bij de Commissie.

Uitzondering melding

De meldingsplicht is niet op alle culturele subsidies van toepassing. Cultuursubsidies zijn vaak bedoeld voor culturele instellingen die puur lokaal actief zijn of niet worden beschouwd als onderneming naar Europees recht. De subsidie voldoet in die gevallen niet aan alle criteria van het staatssteunverbod en kan worden verleend. Zie voor meer informatie over steun voor puur lokale activiteiten de pagina Grensoverschrijdend effect.

De-minimis wet- en regelgeving
De-minimisvrijstellingsverordening

Steunmaatregelen die onder de de-minimisdrempel blijven, hebben een beperkt effect op het handelsverkeer tussen lidstaten. Het voldoet niet aan de criteria van het staatssteunverbod (art. 107 lid 1 VWEU) en wordt volgens de DAEB de-minimisverordening niet als staatssteun beschouwd.

De-minimisdrempel

Vanaf 2007 bedraagt de de-minimisdrempel € 200.000,- per drie belastingjaren, daarvoor was dit € 100.000,-. Een decentrale overheid mag deze steun aan één onderneming verlenen, ongeacht de vorm, het doel en het feit dat steun geheel of gedeeltelijk uit Europese middelen wordt gefinancierd.

Garanties wet- en regelgeving
Mededeling staatssteun garanties

In de Mededeling garanties staat onder welke omstandigheden overheidsgaranties aan ondernemingen zijn toegestaan. Er worden duidelijke methodieken uiteen gezet voor het berekenen van het staatssteunbestanddeel in een garantie en vereenvoudigt regels voor het MKB.

Reikwijdte

De mededeling is van toepassing op alle overheidsgaranties, zowel individuele garanties als garantieregelingen. De mededeling gaat ook in op garanties die mogelijk voordeel verlenen aan kredietgevers, in dit geval de decentrale overheid.

Green Deals wet- en regelgeving

In Green Deals worden concrete afspraken gemaakt waarbij decentrale overheden te maken krijgen met Europese staatssteunregels. Bij de volgende acties moet hier rekening mee gehouden worden:

1. Financieren ondernemingen binnen Green Deals

Decentrale overheden krijgen via het Provincie- of Gemeentefonds een bijdrage om uitvoering te geven aan de Green Deals. Deze kunnen zij doorgeven aan een onderneming ten behoeve van een duurzaam project.

2. Oprichten of deelnemen PPS-constructie

Een decentrale overheid kan in het kader van de Green Deal een publiekprivate samenwerking oprichten of hieraan deelnemen. Bij het deelnemen hieraan moeten risico’s zo verdeeld worden dat decentrale overheden niet meer risico’s op zich nemen dan een private investeerder zou hebben gedaan om staatssteun te voorkomen. Lukt dit niet, dan moet er met staatssteunregels rekening worden gehouden.

Wanneer de keuze voor deelname van de private partij aan een geïnstitutionaliseerde PPS-constructie samenvalt met opdrachtverlening aan of binnen het samenwerkingsverband, moeten de aanbestedingsregels voor PPS-constructies in acht worden genomen.

3. Projecten financieren en uitvoeren met private partijen

Wanneer decentrale overheden samen met private partijen projecten uitvoert en financiert, gelden de staatssteunregels. Gaat de financiering gepaard met opdrachtverlening, dan gelden ook de aanbestedingsregels. Treedt de decentrale overheid op de markt en biedt hij diensten aan, zijn ook de mededingingsregels mogelijk van toepassing.

4. Inzet andere instrumenten

Decentrale overheden kunnen ook kiezen om niet financieel bij te dragen, maar om andere instrumenten inzetten. Voorbeelden zijn de wijziging van een bestemmingsplan en de inzet van kennis en expertise om de realisering van duurzame projecten te bevorderen. Op het eerste gezicht lijkt er geen sprake te zijn van financiële middelen, toch moeten decentrale overheden toetsen of er sprake is van staatssteun.

Kinderopvang wet- en regelgeving

Door de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen wordt een kinderopvang, ongeacht haar rechtsvorm als onderneming gezien.

Peuterspeelzaal als onderneming

Het is onduidelijk of peuterspeelzaalactiviteiten als economische activiteiten moeten worden aangemerkt. Hoewel peuterspeelzalen onder onderwijs vallen en onderwijs geen economische activiteit is, is vanwege de vermenging met kinderopvangactiviteiten binnen dezelfde onderneming toch vaak sprake van economische activiteiten.

Mededeling grondtransacties

Als decentrale overheden steun verlenen aan en kinderdagverblijf door het te verkopen, verhuren of verpachten van grond of gebouwen die in bezit zijn van de overheid, dan geldt de Mededeling grondtransacties. Met deze mededeling moet rekening gehouden worden om te voorkomen dat staatssteun als ongeoorloofd wordt beschouwd. Voorwaarden uit de mededeling zijn:

– De grondtransactie moet marktconform zijn;
– De marktconforme prijs moet worden vastgesteld door een onafhankelijke taxateur.

De-minimisvrijstellingsverordening

Steun aan kinderopvang onder de € 200.000,= kan over een periode van drie belastingjaren aan één onderneming worden uitgekeerd in de vorm van de-minimissteun. Onder de-minimis leest u over de voorwaarden die aan deze verordening zitten.

Kinderopvang als Dienst van Algemeen Economisch Belang

Als de markt niet voldoende in kinderopvang voorziet, kan kinderopvang als DAEB worden gekwalificeerd. Vanwege de marktwerking in deze sector, is dit in Nederland erg lastig. Om kinderopvang als DAEB te kwalificeren, moet dit marktfalen duidelijk worden aangetoond.

Dit geldt ook voor het DAEB-vrijstellingsbesluit , waarin kinderopvang wordt genoemd als mogelijke vrijstellingsmogelijkheid. Steun onder de € 15 miljoen per jaar is vrijgesteld van meldplicht aan de Commissie.

DAEB de-minimis

Decentrale overheden kunnen onder de DAEB de-minimisvrijstelling steun aan kinderopvang verlenen, zonder dat dit als staatssteun kan worden aangemerkt. Over drie belastingjaren mag er aan één onderneming maximaal € 500.000,= steun verleend worden. Dit is alleen mogelijk als er een duidelijk marktfalen bestaat, waardoor kinderopvang als DAEB kan worden aangewezen. Er moet worden uitgekeken voor cumulatie met andere vrijstellingen.

Landbouw wet- en regelgeving

De voorwaarden voor landbouwsteun zijn opgenomen in de volgende vrijstellingen en richtsnoeren:

Staatssteunregels voor de landbouwsector zijn van toepassing op:

  • ondernemingen die actief zijn in de primaire productie van landbouwproducten;
  • ondernemingen die landbouwproducten verwerken en afzetten;
  • ondernemingen die actief zijn in de landbouwsector en die steun voor plattelandsontwikkeling (POP3) krijgen.

Steun voor activiteiten die geen invloed heeft op de primaire landbouw mag ook staatssteunproof worden gemaakt op basis van andere steunkaders, zoals de Algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV), de reguliere de-minimisvrijstelling en het Milieusteunkader (MESK).

Definities productie, verwerking en afzet van landbouwproducten

De definities vindt u in paragraaf 2.4 van de Richtsnoeren. De producten die als landbouwproduct worden gedefinieerd, staan opgesomd in Bijlage I van het VWEU.

1. Vrijstellingsverordening MKB Landbouw

Met de MKB Landbouwvrijstelling (ABER, Nr. 702/2014) kan steun aan agrariërs staatssteunproof worden gemaakt. De oude ABER (Nr. 1857/2006) gold tot eind 2013. Daarna is deze met een half jaar verlengd. Per 1 juli 2014 is de herziene verordening in werking getreden. Onder de ABER gelden overgangsbepalingen, dezelfde als onder de nieuwe AGVV.

Verbreding reikwijdte, maar meer controle

Veel bestaande categorieën hebben nu hogere maxima en soepelere voorwaarden. De ABER is uitgebreid met nieuwe categorieën, zoals energie- en agromilieumaatregelen, cultuur, natuurlijk erfgoed en plattelandsontwikkeling. De Commissie legt wel meer nadruk op verslaglegging en monitoring.

Reikwijdte

De ABER is van toepassing op MKB bedrijven die actief zijn in de landbouwsector, met name de primaire landbouwproductie. De nieuwe ABER is nu ook grotendeels van toepassing op de verwerking en de afzet van landbouwproducten.

De ABER bevat een apart gedeelte voor steunmaatregelen, die niet van invloed zijn op de primaire productie van landbouwproducten, en die worden verstrekt op basis van het POP3 programma. Het gaat zowel om subsidies die worden gefinancierd mét een bijdrage uit het Europees Landbouwfonds (ELFPO) als om subsidies gefinancierd vanuit aanvullende nationale financiering (top-ups) bij het POP3-programma.

Normaalgesproken mag geen steun worden verleend aan ondernemingen in financiële moeilijkheden. De ABER bevat een uitzondering op deze regel als het gaat om steun voor schade veroorzaakt door natuurrampen.

Categorieën

De verordening stelt de volgende categorieën vrij van melding:

  • steun ten behoeve van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen;
  • steun voor investeringen voor de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed op landbouwbedrijven;
  • steun voor het herstel van de schade als gevolg van natuurrampen in de landbouwsector;
  • steun voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouw- en de bosbouwsector;
  • steun voor de bosbouw.
Kennisgeving

Steunmaatregelen die onder de verordening vallen, hoeven niet gemeld te worden bij de Commissie. Kennisgeving en rapportage zijn wel verplicht.

2. Algemene groepsvrijstellingsverordening

Decentrale overheden kunnen ook op basis van de AGVV steun aan ondernemingen in de landbouwsector staatssteunproof maken. De AGVV bevat meer categorieën dan de ABER en kan een nuttig instrument zijn als de steun niet onder de ABER past.

Reikwijdte

De AGVV is helemaal van toepassing op de verwerking en afzet van landbouwproducten, mits de steun niet direct is gerelateerd aan de primaire productie.

Primaire landbouwbedrijven zijn in principe van de AGVV uitgesloten. Steun daarvoor valt alleen onder de AGVV voor categorieën die niet direct zijn gerelateerd aan activiteiten in de primaire landbouw.

De AGVV mag worden toegepast voor steun aan de primaire landbouwproductie voor:

  • consultancysteun voor het MKB
  • risicofinancieringssteun
  • onderzoek en ontwikkeling, en innovatiesteun voor het MKB
  • milieusteun
  • opleidingssteun
  • steun voor kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap.
Kennisgeving

Steunmaatregelen die onder de AGVV vallen, hoeven niet gemeld te worden bij de Commissie. Kennisgeving en rapportage zijn wel verplicht.

3. De-minimisvrijstelling Landbouwsector

Steun die onder de de-minimisdrempel blijft, heeft zo’n beperkt effect op het handelsverkeer tussen de lidstaten, dat de Europese Commissie het niet als staatssteun beschouwd. Dit is een optie om steun staatssteunproof te maken, als het om een laag bedrag gaat en steun niet onder een andere vrijstelling past.

Aan primaire producenten van landbouwproducten kan ook de-minimissteun verleend worden. Vanaf 1 januari 2014 geldt de herziene de-minimisverordening voor de primaire landbouw (Nr. 1408/2013).

NB: Let u wel op alle voorwaarden.

De-minimis primaire productie

Decentrale overheden kunnen op basis van de maximaal 15.000 euro aan steun binnen een periode van drie belastingjaren per zelfstandige onderneming in de primaire productie verlenen. Voorheen was deze drempel 7500 euro.

Het totaalbedrag van de-minimissteun in Nederland over drie belastingjaren aan de landbouwproductiesector, mag niet hoger zijn dan 165.322.500 euro.

De-minimis voor verwerking en afzet

De verwerking en afzet van landbouwproducten valt (onder voorwaarden) onder de reguliere de-minimisvrijstelling. Deze drempel bedraagt 200.000 euro. Kruissubsidiëring met primaire landbouwactiviteiten moet worden voorkomen. Dat kan middels een gescheiden boekhouding.

Geen melding/kennisgeving

Decentrale overheden hoeven de-minimissteun niet te melden of ter kennis geven bij de Commissie. Ondernemingen moeten wel een verklaring tekenen.

4. Richtsnoeren landbouw

Steun aan agrariërs die niet onder een vrijstellingsverordening past, moet worden aangemeld op basis van de Richtsnoeren Landbouw. Per 1 juli 2014 zijn de herziene Richtsnoeren van kracht. Deze leggen grotere nadruk op milieu- en klimaatmaatregelen. Ze bevatten meer steuncategorieën dan de ABER en de steunintensiteiten zijn vaak hoger. Maar een formele aanmeldingsprocedure is dus verplicht.

Reikwijdte

De richtsnoeren zijn van toepassing op steunmaatregelen voor activiteiten op het gebied van zowel de productie als de verwerking en afzet van de landbouwproducten. De Richtsnoeren bevatten een nieuw deel voor steun voor plattelandsontwikkeling (POP3).

De Richtsnoeren zijn niet van toepassing op de visserij- en aquacultuursector. Voor steun voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouwsector, die moet worden aangemeld, kunnen decentrale overheden ook gebruikmaken van de Kaderregeling OO&I. Dat geldt ook voor milieusteun.

Algemene voorwaarden

De Commissie zal een steunmaatregel alleen als verenigbaar beschouwen en goedkeuren indien deze aan elk van de volgende criteria voldoet (zie Hoofdstuk 3 van de Richtsnoeren):

  • de maatregel moet gericht zijn op een doelstelling van gemeenschappelijk belang in overeenstemming met artikel 107, lid 3, VWEU;
  • de maatregel moet noodzakelijk zijn en zijn gericht op situaties waar steun kan zorgen voor een wezenlijke verbetering die de markt zelf niet tot stand kan brengen;
  • de maatregel moet een geschikt beleidsinstrument zijn om de doelstelling van gemeenschappelijk belang te helpen bereiken;
  • de steun moet stimulerend effect hebben en het gedrag van de betrokken onderneming of ondernemingen zodanig veranderen dat deze bijkomende activiteiten onderneemt of ondernemen die deze zonder de steun niet zou of zouden uitvoeren, dan wel in beperktere mate of op een andere wijze of locatie zou of zouden uitvoeren;
  • het steunbedrag moet beperkt blijven tot het minimum dat nodig is om aan te zetten tot de bijkomende investering of activiteit in het betrokken gebied;
  • de negatieve effecten van de steun op de concurrentie moeten voldoende beperkt zijn, zodat de maatregel per saldo positief is;
  • maatregelen moeten transparant zijn; de lidstaten, de Commissie, marktdeelnemers en het publiek moeten gemakkelijk toegang kunnen krijgen tot alle desbetreffende besluiten en relevante informatie over de op grond van die besluiten toegekende steun.
Categorieën

De richtsnoeren bevatten gedetailleerde regels voor steunmaatregelen voor:

  • Plattelandsontwikkeling (POP3)
  • Investeringssteun in landbouwbedrijven
  • Aanloopsteun voor jonge landbouwers en voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven
  • Overdracht van landbouwbedrijven
  • Aanloopsteun voor producentengroeperingen en ‐organisaties
  • Agromilieuklimaatverbintenissen en dierenwelzijnsverbintenissen
  • Opvangen van nadelen in verband met Natura 2000-gebieden en met de kaderrichtlijn water (KRW)
  • Gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen
  • Biologische landbouw
  • Deelname aan een kwaliteitsregeling
  • Technische bijstand (kennisoverdracht en voorlichting, adviesdiensten, bedrijfsvervangingsdiensten)
  • Samenwerking
  • Risico- en crisisbeheer, waaronder schade veroorzaakt door natuurrampen
  • Steun voor sluiting van productiecapaciteit
  • Overige categorieën, waaronder ruilverkaveling, dierlijke productie, reddings- en herstructureringssteun en OO&I
Melding

Steunmaatregelen die onder de Richtsnoeren vallen, moeten worden gemeld bij de Commissie. De Europese Commissie past de Richtsnoeren toe bij haar afweging om een voorgenomen steunmaatregel al dan niet goed te keuren.

Lokale en regionale omroepen wet- en regelgeving
Aansluiten bij Mededeling openbare omroepen

Bij de omschrijving van de publieke taak van ‘hun’ omroep kunnen decentrale overheden aansluiting zoeken bij de Mededeling openbare omroepen uit 2009. Hierin zet de Europese Commissie uiteen wat de publieke taak inhoudt en hoe compensatie daarvan staatssteunproof te maken valt:

1. Gevarieerde programmering

De omroep krijgt de opdracht een evenwichtige en gevarieerde programmering aan te bieden en daarbij een bepaald percentage van het publiek aan te trekken. De taak kan ook audiovisuele diensten via digitale platforms omvatten. De doelstelling van de opdracht moet voldoen aan de democratische, sociale en culturele behoeften van de maatschappij. Hierbij moet het pluralisme gewaarborgd blijven.

2. Duidelijke opdracht

De opdracht moet heel duidelijk omschreven zijn door een officiële, daartoe gerechtigde autoriteit (de steunverlener).

3. Netto kosten

Anders dan bij het opleggen van een ‘gewone’ DAEB, mag de financiering van omroepen geen winst omvatten, maar alleen de netto kosten van de publieke taak compenseren.

4. Geen overcompensatie

Om overcompensatie en kruissubsidiëring te voorkomen is een gescheiden boekhouding van belang. Een scheiding tussen activiteiten, die binnen en buiten de openbare dienst vallen, kan de financiële transparantie nog meer versterken. Als toch sprake is van overcompensatie, mogen publieke omroepen een deel houden om de uitvoering van de openbare dienstverplichting te waarborgen.

5. Monitoren

De uitvoering van de publieke taak moet effectief worden gemonitord door een onafhankelijk toezichthoudend orgaan.

Steun voor gebruik nieuwe media en online diensten

De Commissie wilde met de mededeling uit 2009 de voorwaarden aanpassen aan de technologische ontwikkelingen in medialand en de toenemende dienstverlening via internet. Mits de democratische, sociale en culturele behoeften van een brede doelgroep gewaarborgd blijven mogen:

– betaaldiensten (zoals toegang tot archieven tegen betaling, pay-per-view, toegang tot mobiele diensten tegen een bedrag, betalen voor online-content etc.) ook onderdeel uitmaken van de publieke taak;
– omroepen staatssteun gebruiken om via de digitale weg audiovisuele diensten te leveren.

Implementatie in Nederland

Op nationaal niveau wordt via een goedkeuringsprocedure op grond van de Awb beoordeeld of een nieuwe of voorgenomen (digitale) activiteit van de publieke media-instelling concurrentievervalsend is (markttoets).

Voor lokale en regionale omroepen is het van belang of digitale activiteiten tot de hoofdtaak kunnen worden gerekend of een nevenactiviteit zijn (art. 2.1 Mediawet 2008). Het verzorgen van radio- en televisieprogramma’s via internet is onderdeel van de publieke mediaopdracht.

Nevenactiviteiten van lokale en regionale omroepen moeten worden goedgekeurd door het Commissariaat van de Media. Zie hiervoor afdeling 2.5.6 van de Mediawet inzake nevenactiviteiten.

Rol Europese Commissie

De Commissie spreekt zich niet uit over de vraag of een programma moet worden aangeboden als DAEB. Evenmin kan zij de aard of kwaliteit van een product ter discussie stellen. In het geval van DAEB’s is de rol van de Commissie beperkt tot de controle op ‘kennelijke fouten’.

Voldoet de publieke taak niet aan de culturele, sociale en democratische behoeften van de samenleving? Dan is er sprake van een kennelijke fout. Volgens de Commissie is dat normaliter het geval bij reclame, e-commerce, telewinkelen, sponsoring, merchandising en dure inbelnummers bij belspellen.

Onderwijs en staatssteun wet- en regelgeving
Voorwaarden AGVV

Op grond van de AGVV kunnen decentrale overheden ondernemingen tot 2 miljoen euro per opleidingsproject aan steun verlenen. Er mag echter geen steun worden verleend voor opleiding die ondernemingen geven om te voldoen aan bindende nationale opleidingsnormen.

In aanmerking komende kosten

Decentrale overheden kunnen ondernemingen voor de volgende kosten steun verlenen:

– de personeelskosten van de opleiders
– rechtstreeks met het opleidingsproject verband houdende operationele kosten van opleiders en deelnemers aan de opleiding;
– kosten van adviesdiensten met betrekking tot het opleidingsproject;
– de personeelskosten van de deelnemers aan de opleiding en algemene indirecte kosten (administratieve kosten, huur, algemene vaste kosten).

Steunintensiteit

Indien decentrale overheden ondernemingen op grond van de AGVV steun voor opleiding willen verstrekken, kunnen zij maximaal 50% van de in aanmerking komende kosten vergoeden. Deze steunintensiteit kan als volgt worden verhoogd tot een maximale steunintensiteit van 70 % van de in aanmerking komende kosten:

– met 10% indien de opleiding aan werknemers met een handicap of aan kwetsbare werknemers wordt gegeven;
– met 10% indien de steun aan middelgrote ondernemingen wordt toegekend en met 20% indien de steun aan kleine ondernemingen wordt toegekend.

Onderzoek, ontwikkeling en innovatie (O&O&I) wet- en regelgeving

De ODR, deel 4 van de AGVV en de Kaderregeling betreffende staatssteun voor O&O&I kunnen van toepassing zijn op steun voor O&O&I van decentrale overheden. Steun op basis van de ODR of de AGVV is vrijgesteld van aanmelding bij de Europese Commissie. Enkel steun op basis van de Kaderregeling betreffende staatssteun voor O&O&I moet bij de Europese Commissie worden aangemeld. Hieronder leest u meer over de verschillende instrumenten.

1. Omnibus Decentraal Regeling

De Omnibus Decentraal Regeling biedt een algemeen kader waarbinnen decentrale overheden steun kunnen verlenen voor projecten op het gebied van O&O&I. Deze steun is vrijgesteld van voorafgaande goedkeuring van de Europese Commissie, mits decentrale overheden voldoen aan alle criteria, definities en procedures die vastgesteld zijn in de ODR. Decentrale overheden dienen steun die voldoet aan de voorwaarden uit de ODR enkel te melden bij Europa decentraal.

Uitgebreide informatie over de voorwaarden van de ODR, de soorten projecten die voor steun in aanmerking komen en de verplichtingen voor decentrale overheden vindt u in ons specifieke ODR dossier

2. Algemene Groepsvrijstellingsverordening

Deel 4 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) is gewijd aan steun voor O&O&I. Steunmaatregelen die voldoen aan de voorwaarden uit de AGVV zijn verenigbaar met de interne markt en hoeven niet bij de Europese Commissie te worden aangemeld. Decentrale overheden kunnen met een kennisgeving volstaan. Pas als steun voor O&O&I de relevante aanmeldingsdrempels uit de AGVV overschrijdt (art. 4 AGVV), moet de steun bij de Europese Commissie worden gemeld.

Categorieën

Op basis van de AGVV kan voor steun worden verleend voor:

–       Fundamenteel onderzoek (art. 25)
–       Industrieel onderzoek (art. 25)
–       Experimentele ontwikkeling (art. 25)
–       Haalbaarheidsstudies (art. 25)
–       Onderzoeksinfrastructuur (art. 26)
–       Innovatieclusters (art. 27)
–       Innovatiesteun voor kmo’s (art. 28)
–       proces- en organisatie-innovatie (art. 29)
–       onderzoek en ontwikkeling in de visserij- en aquacultuursector (art. 30)

Meer (algemene) informatie over de AGVV vindt u op de pagina over de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

3. Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie

Steunmaatregelen voor O&O&I die niet op basis van de ODR of de AGVV ‘staatssteunproof’ kunnen worden verleend, moeten bij de Europese Commissie worden aangemeld. De Europese Commissie past de in de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie uiteengezette criteria toe om na te gaan of de aangemelde O&O&I steun verenigbaar met de interne markt is. Tot de Commissie de steun verenigbaar verklaart, mag deze niet ten uitvoer worden gelegd.

Voorwaarden

De Commissie zal een steunmaatregel alleen als verenigbaar beschouwen indien deze aan elk van de volgende criteria voldoet:

– de maatregel moet gericht zijn op een doelstelling van gemeenschappelijk belang in overeenstemming met artikel 107, lid 3, VWEU;
– de maatregel moet zijn gericht op situaties waar steun kan zorgen voor een wezenlijke verbetering die de markt zelf niet tot stand kan brengen;
– de maatregel moet een geschikt beleidsinstrument zijn om de doelstelling van gemeenschappelijk belang te helpen bereiken;
– de steun moet het gedrag van de betrokken onderneming of ondernemingen zodanig veranderen dat deze bijkomende activiteiten onderneemt of ondernemen die deze zonder de steun niet zou of zouden uitvoeren, dan wel in beperktere mate of op een andere wijze of locatie zou of zouden uitvoeren;
– het steunbedrag moet beperkt blijven tot het minimum dat nodig is om aan te zetten tot de bijkomende investering of activiteit in het betrokken gebied;
– de negatieve effecten van de steun moeten voldoende beperkt zijn, zodat de maatregel per saldo positief is;
– de lidstaten, de Commissie, marktdeelnemers en het publiek moeten gemakkelijk toegang kunnen krijgen tot alle desbetreffende besluiten en relevante informatie over de op grond van die besluiten toegekende steun.

Toepassingsgebied

De in de Kaderregeling uiteengezette beginselen zijn van toepassing op staatssteun voor O&O&I in alle sectoren. Het is dus ook van toepassing op de sectoren waarvoor bijzondere regels inzake staatssteun van toepassing zijn, tenzij in die regels anders is bepaald. Op ondernemingen in moeilijkheden is de steun niet van toepassing.

Categorieën

De Commissie kan de volgende O&O&I-maatregelen op basis van de Kaderregeling met de interne markt verenigbaar verklaren:

–       steun voor O&O-projecten;
–       steun voor haalbaarheidsstudies;
–       steun voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur;
–       steun voor innovatieactiviteiten;
–       steun voor innovatieclusters.