Vrij verkeer

Stel: een gemeente in Italië geeft 60-plussers met de Italiaanse nationaliteit korting op toegangskaartjes tot musea, maar 60-plussers van andere nationaliteiten niet. Mag dat? Of: een provincie wil het openbaar vervoer voor inwoners van de eigen provincie gratis maken. Kan zij dat doen?

Bij dit soort vragen krijgen decentrale overheden te maken met de vrij verkeersregels.

Vrij verkeer van personen, goederen, kapitaal en diensten

De EU hecht grote waarde aan een goed functionerende interne markt binnen Europa. Dit met als doel om groei en welvaart in alle lidstaten te stimuleren. Hiervoor is het belangrijk dat personen, diensten, goederen en kapitaal op deze markt zonder binnengrenzen vrij kunnen circuleren.

Belemmeren verboden

Het belemmeren van het vrije verkeer en dus van deze vier vrijheden is op basis van het EU-Werkingsverdrag verboden. Daarom moeten decentrale overheden alle wet- en regelgeving aanpassen die belemmeringen opwerpt voor het vrije verkeer en daarbij al dan niet bewust onderscheid maakt tussen personen, diensten, goederen of kapitaal uit eigen land en uit andere Europese lidstaten.

Decentrale overheden handelen ‘als overheid’

Decentrale overheden kunnen met de regels van vrij verkeer te maken krijgen wanneer zij ‘als overheid’ activiteiten verrichten of juist nalaten. Hierbij moet gedacht worden aan decentrale regelgeving, in autonomie of in medebewind, de toepassing van regelgeving bijvoorbeeld door het verlenen van vergunningen, ontheffingen en activiteiten op het gebied van handhaving.

Verder kunnen de vrijverkeersregels ook van toepassing zijn op feitelijke handelingen van overheden en op de overheid die handelt als opdrachtgever op de markt (denk aan productclausules bij aanbesteding).

Van toepassing op allerlei beleidsterreinen

De vrijverkeersregels kunnen meespelen op allerlei beleidsterreinen, zelfs die terreinen die niet expliciet in de Europese verdragen worden genoemd zoals volkshuisvesting (het verbieden van Nederlandse woning – corporaties als Sint Servatius om over de grens actief te zijn), ruimtelijke ordening (het verbieden van permanente bewoning van vakantiehuisjes) enzovoort.

Jurisprudentie

EU-burgerschap jurisprudentie
HvJ EU, 8 maart 2011. Zambrano tegen RVA

Zaak C-34/09. In deze zaak heeft art. VWEU naast art. 21 een zelfstandige betekenis gekregen. Het Europese Hof verleende aan illegaal verblijvende ouders met de nationaliteit van een derde land het recht op een verblijfsvergunning en een werkvergunning, omdat hun kinderen de EU-nationaliteit hadden.

Uitzetting ouders
Uitzetting van de illegaal in België verblijvende Colombiaanse ouders had feitelijk tot gevolg dat de kinderen verplicht werden het EU-grondgebied te verlaten. Volgens het Hof werd deze kinderen het effectieve genot van de met hun status van Unieburger verbonden rechten ontzegd.

HvJ EU, 5 mei 2011. McCarthy tegen Secretary of State for the Home Department

Zaak C-434/09. Bijna twee maanden later oordeelde het Hof echter in de zaak McCarthy dat EU-burgers die nooit hun recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend, zich niet kunnen beroepen op het EU-burgerschap om het verblijf van hun echtgenoot die uit een derde land komt, te regulariseren. Het Hof heeft in deze zaak duidelijk gemaakt dat de Zambrano-uitspraak een uitzonderlijke situatie betrof.

Zambrano uitzonderlijke uitspraak
Het uitzonderlijke karakter van de zaak Zambrano wordt ook bevestigd in de nationale rechtspraak. Uit een inventarisatie van op rechtspraak.nl gepubliceerde nationale uitspraken is af te leiden dat Nederlandse rechters niet snel een beroep op de Zambrano-uitspraak accepteren.

Nederlandse standpunten

Vrij verkeer van werknemers Nederlandse standpunten

Nederland heeft gebruik gemaakt van de maximale overgangstermijn van zeven jaar voor het vrij werknemersverkeer met Bulgarije en Roemenië. Het kabinet is van mening dat vrij werknemersverkeer met Kroatië in de eerste fase van het overgangsregime niet wenselijk is.

Tewerkstellingsvergunning aanvragen

Voor werknemers uit Kroatië blijft het dus nodig een tewerkstellingsvergunning aan te vragen. Hiermee volgt het kabinet eenzelfde lijn als ten tijde van de toetreding van lidstaten in 2004 en 2007.

Nieuws

Splitsingswet in overeenstemming met Europees recht

Nederland is op 16 april in het gelijk gesteld door de Advocaat-Generaal (AG) van het Europese Hof. Het ging om een geschil tussen de Nederland en een aantal energiebedrijven over de Splitsingswet. Uit het advies – gericht aan het Europese Hof van Justitie – blijkt dat de verboden uit de Splitsingswet niet in strijd zijn met het Europees recht. Energienetten mogen niet aan commerciële bedrijven worden verkocht. De netwerken zijn nu in handen van provincies en gemeenten.
Lees het volledige bericht

Asscher wil onterechte bijstand aan EU-burgers beperken

Minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil dat gemeenten niet langer bijstand hoeven te verstrekken aan EU-burgers indien de rechtmatigheid van hun verblijf wordt betwist. De minister wil een wettelijke grondslag creëren om te voorkomen dat EU-burgers ten onrechte bijstand ontvangen. Dit zei hij tijdens een overleg met de Tweede Kamer op donderdag 25 april.

Lees het volledige bericht

EUrrest september 2013

Compensatie aan bouwbedrijven die verplicht zijn sociale woningbouw te realiseren is geen verboden staatssteun zolang de verrichte activiteiten onder diensten van algemeen economisch belang (DAEB) vallen. Dit is een van de conclusies die getrokken kan worden uit de gevoegde zaken C-197/11 en C-203/11 – Eric Libert e.a. tegen Vlaamse Regering.

Lees het volledige bericht

Hof: overheden mogen buitenlandse energieleveranciers uitsluiten van subsidie

Overheden mogen weigeren buitenlandse energieleveranciers subsidies te verstrekken voor groene energie. Volgens het EU-Hof wordt hierdoor het vrij verkeer van goederen in de EU weliswaar belemmerd, maar is dat in dit geval gerechtvaardigd. De uitspraak van het Hof van 1 juli jl. is gebaseerd op de Richtlijn ter bevordering van het gebruik van groene energie.
Lees het volledige bericht

De onzichtbare slagbomen bij de Duitse grens

Duitsland is van plan om per 1 januari 2016 tol te gaan heffen op de snelwegen. De Europese Commissie kan de omstreden Duitse tolplannen mogelijk nog dwarsbomen en wil dat ook gaan doen, aldus de voorzitter van de Europese Commissie. Decentrale overheden (met name in de grensregio’s) hebben veel te maken met grensoverschrijdend verkeer. Zij verzetten zich sterk tegen de plannen van Duitsland omdat dit een negatief economisch effect zou hebben. 
Lees het volledige bericht

Wat de Troonrede over Europa heeft te melden

Op de derde dinsdag van september sprak koning Willem-Alexander zich traditiegetrouw uit over de kabinetsplannen voor het komende jaar. Milieu, werkgelegenheid, migratie, innovatie en het EU-voorzitterschap kwamen onder andere ter sprake. Deze kabinetsplannen hebben ook betrekking op Europese doelstellingen die van belang zijn voor decentrale overheden.
Lees het volledige bericht

Zorg over de grens blijkt in de praktijk nog moeizaam te verlopen

In navolging van de Europese Commissie komt nu ook de European Public Health Alliance (EPHA) met een kritisch rapport over de werking van de Europese Patiëntenrichtlijn 2011/24/EU. Hierin wordt uiteengezet dat de richtlijn vooralsnog niet het gewenste effect bereikt heeft. Grensoverschrijdende zorg vindt in de praktijk nog weinig plaats en er bestaat nog tal van regelgeving die de werking van de richtlijn belemmert. Voor decentrale overheden is dit relevant, omdat ook zij een rol kunnen spelen in verschillende vormen van grensoverschrijdende samenwerking in de zorg waar de richtlijn in voorziet.
Lees het volledige bericht

7 ED mei Dag van Europa
Nederland erkent grensoverschrijdende beroepskwalificaties

Europese burgers die hun beroepskwalificaties in een andere EU-lidstaat hebben behaald, krijgen toegang tot hetzelfde gereglementeerde beroep in Nederland. Hiertoe heeft de Eerste Kamer op 1 december jl. een wetsvoorstel aangenomen. Ook bij het uitoefenen van het beroep krijgen de Europese burgers dezelfde rechten als Nederlandse burgers.
Lees het volledige bericht

Praktijk

Verboden kapitaal praktijk
Voorbeeld 1. Sint Servatius

Woningbouwcorporatie Sint Servatius wilde een grensoverschrijdend bouwproject in België uitvoeren. De minister weigerde de benodigde toestemming te verlenen. Volgens hem mocht Sint Servatius alleen activiteiten verrichten die in het belang waren van de volkshuisvesting van Nederland, daar was in dit geval geen sprake van.

Inbreuk vrij verkeer van kapitaal

Volgens Sint Servatius was dit een inbreuk op het vrij verkeer van kapitaal (art. 63 VWEU) en stapte naar de rechtbank in Maastricht.

Oordeel

Volgens de rechtbank is een dergelijk onvoorwaardelijk verbod voor Nederlandse woningbouwcorporaties een belemmering van het vrij verkeer van kapitaal. Het feit dat de woningbouwcorporatie ook een publieke taak verricht, staat daar niet aan in de weg.

Belgische dochteronderneming

Sint Servatius had geld geleend aan een Belgische dochteronderneming die bouwactiviteiten in België uitvoerde. Deze directe investering valt volgens de rechtbank onder kapitaalverkeer.

De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie.

Hof

Volgens het Hof (C-567/07) is het feit dat de corporaties toestemming moeten vragen voor grensoverschrijdende activiteiten in strijd met art. 63. Er is geen sprake van strijd met het vrij verkeer van kapitaal als de verlening van toestemming gebaseerd is op objectieve criteria die niet-discriminerend en vooraf kenbaar zijn. Daardoor kan een grens worden gesteld aan de wijze van uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid van de nationale autoriteiten.

Omdat het hier ging om een prejudiciële vraag, kon het Hof verder niet oordelen of de Nederlandse wetgeving daadwerkelijk binnen deze interpretatie viel of niet.

Voorbeeld 2. Konle

De zaak Konle (C-302/97) speelde zich af in Tirol. Daar bestond een vergunningsstelsel dat ervoor zorgde dat onroerend goed alleen verkregen kon worden als men er permanent ging wonen.

Dit stelstel kwam aan het licht toen een Duitse ondernemer (dhr. Konle) zich wilde vestigen in een vakantiehuis in Tirol. Een vergunning daarvoor werd geweigerd. Konle ging in beroep bij de nationale rechter die om een prejudiciële procedure verzocht bij het Hof

Hof

Volgens het Hof was het stelsel in strijd met het Europees recht. Een gemeente kan met geldboeten hetzelfde bereiken als met bovengenoemd stelsel, zonder dat dit in strijd is met Europees recht.

Dwangsom

Wanneer Tirol dus niet kiest voor een vergunning vooraf, maar voor een dwangsom achteraf, voldoet de maatregel aan de eisen zoals gesteld in dit arrest en heeft de gemeente alle risico’s vermeden.

Praktijkvragen

Geldt het vrij verkeer van werknemers ook voor werknemers uit Kroatië?
Als gemeente zijn wij vaak het eerste aanspreekpunt voor migranten die in onze gemeente komen wonen en krijgen we te maken met Europeesrechtelijke vrij verkeer vraagstukken. Nu is Kroatië op 1 juli toegetreden tot de EU. Bij de toetreding van Bulgarije en Roemenie gold een overgangsperiode voor wat betreft de regels voor vrij verkeer van werknemers. Geldt die overgangsregel ook voor Kroaten? Zo ja, hoe lang duurt deze overgangsperiode en wat houdt deze precies in?

Bekijk het antwoord

Is de winkeltijdenwet in strijd met vrij verkeer?
Onze gemeente wordt niet beschouwd als een gemeente met toeristische aantrekkingskracht. Conform de nieuwe Winkeltijdenwet mogen de winkels dan niet meer dan 12 zondagen per jaar open zijn. Wij hebben begrepen dat de Winkeltijdenwet mogelijk in strijd is met het Europees recht en wij om die reden de winkels vaker open mogen stellen. Klopt dat?

Bekijk het antwoord

Is een woonplaatsvereiste bij muzieklessubsidie mogelijk?
Onze gemeente wil een subsidieregeling openstellen voor ouders van kinderen die muziekles nemen. Daarbij willen als voorwaarde stellen dat de subsidieontvangers binnen onze gemeente wonen. Kunnen wij zonder meer een dergelijke  woonplaatsvereiste opnemen in deze subsidieregeling?

Bekijk het antwoord

Is het verbod op permanente bewoning van vakantiehuisjes in strijd met het Europees recht?
Onze gemeente wil de permanente bewoning van vakantiehuisjes verbieden. Iemand die een vakantiehuisje wil kopen heeft daarvoor een vergunning nodig welke alleen te verkrijgen is wanneer de aanvrager het aannemelijk maakt dat het huisje niet permanent bewoond zal worden. Nu lieten verschillende makelaars ons weten dat dit in strijd is met het Europees recht. Klopt dat?

Bekijk het antwoord

Mag een gemeente een schaarse vergunning voor onbepaalde tijd verlenen?
Onze gemeente hanteert een vergunningstelsel voor standplaatsen voor het plaatsen van onder andere marktkramen en snackkarren. Deze standplaatsvergunningen worden in beperkte hoeveelheden verstrekt. Mag de gemeente dergelijke standplaatsvergunningen voor onbepaalde tijd verlenen, zonder hierbij in strijd te handelen met de Europese regelgeving inzake vrij verkeer?

Bekijk het antwoord

Publicaties

Voordeelregelingen

ICER Checklist, met uitgebreide toelichting voor ‘Voordeelregelingen eigen inwoners’

Wet- en regelgeving

Burgerschapsrichtlijn wet- en regelgeving

De Burgerschapsrichtlijn heeft betrekking op het recht van vrij verkeer en verblijf, inclusief het duurzaam verblijfsrecht, op het grondgebied van de lidstaten door EU-burgers en hun familieleden (art. 1 richtlijn). De richtlijn geeft uitwerking aan art. 21 VWEU. De begunstigden (art. 3 richtlijn) zijn onderdanen van de EU-lidstaten, dat wil zeggen:

– Werknemers;
– Dienstverleners en -ontvangers;
– Zelfstandigen
– Studenten;
– Gepensioneerden;
– Economisch niet-actieven;
– De familieleden van deze categorieën burgers.

Derdelanders

Derdelanders, ofwel mensen uit landen die niet tot de EU behoren, zijn in beginsel uitgesloten van de werking van de richtlijn, tenzij zij familielid zijn, zoals gedefinieerd in art. 2 lid 2 richtlijn.

Artikel 21 VWEU

Art. 21 VWEU luidt als volgt:

‘Iedere burger van de EU heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld’.

Rechten EU-burgers

EU-burgers en hun familieleden hebben uit- en inreisrechten en verblijfsrechten (art. 4 en 5 richtlijn), inclusief een duurzaam verblijfsrecht onder bepaalde voorwaarden. Unieburgers met een geldig identiteitsbewijs of paspoort moeten worden toegelaten behoudens legitieme uitzonderingen. Van familieleden die derdelanders zijn mogen lidstaten een inreisvisum vragen (art. 5 lid 2 richtlijn).

Verblijfsrecht

EU-burgers hebben het recht om drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven (art. 6). Een verblijfsrecht van meer dan drie maanden (art. 7 richtlijn) komt (al dan niet onder voorwaarden) toe aan:

– EU-burgers die in het gastland werknemer of zelfstandige zijn (art. 7 lid 1a richtlijn);
– EU-burgers die aan kunnen tonen dat ze over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering beschikken (art. 7 lid 1b richtlijn);
– Studenten die een opleiding volgen en over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering beschikken (art. 7 lid 1c richtlijn);
– Een familielid, al dan niet onderdaan van de EU, dat een EU-burger begeleidt of zich bij hem voegt en over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering beschikt (art. 7 lid 1d richtlijn);
– Ex-werknemers en ex-zelfstandigen hebben onder bepaalde voorwaarden ook het verblijfsrecht van drie maanden (art. 7 lid 3 richtlijn).

Uitzonderingen

De richtlijn bevat uitzonderingen die door nationale overheden ingeroepen kunnen worden om beperkingen op het inreis- en verblijfsrecht van EU-burgers en hun familieleden te rechtvaardigen. Lidstaten kunnen de vrijheid van verkeer en verblijf van EU-burgers en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken ‘om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid’ (art. 27 lid 1 richtlijn).

Beroep op openbare orde- of openbare veiligheid-exeptie

Art. 27 lid 2 van de richtlijn bevat de voorwaarden die in de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn ontwikkeld om een geslaagd beroep te kunnen doen op de openbare orde- of openbare veiligheid-exceptie.

Eisen uitzetting migrerende EU-burger

Er moeten aan vijf eisen voldaan worden voordat een migrerende EU-burger of zijn familielid kan worden uitgezet (art. 27 en 28 richtlijn):

– Het evenredigheidsbeginsel;
– De genomen maatregel mag uitsluitend op het persoonlijke gedrag van de betrokkene berusten, waarbij strafrechtelijke veroordelingen geen reden voor de maartegel vormen;
– Het gedrag van betrokkene moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen;
– De maatregel mag niet losstaan van het individuele geval of verband houden met algemene preventieve redenen;
– Er moet rekening worden gehouden met de duur van het verblijf, de leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het gastland en de mate van binding met zijn land van oorsprong (art. 28 richtlijn).

Relatie Burgerschapsrichtlijn en Dienstenrichtlijn

De Burgerschapsrichtijn is van toepassing naast de Dienstenrichtlijn en ook buiten de Dienstenrichtlijn. De Dienstenrichtlijn heeft betrekking op regels die van toepassing zijn op de uitoefening van de diensten die zij verrichten.

Als de dienstverlener en EU-burger uit een andere lidstaat Nederland binnenkomt, moet de (decentrale) overheid de administratieve formaliteiten van de Burgerschapsrichtlijn in acht nemen die betrekking hebben op migratierechten.

EU-burgerschap wet- en regelgeving

In artikel 18, 20 en 21 VWEU worden de rechten en regels omtrent het EU-burgerschap uitgelegd.

Artikel 18 VWEU:

Binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, regelingen treffen met het oog op het verbod van bedoelde discriminaties.

Artikel 20 VWEU:

1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.

2. De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere,
A. het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven;
B. het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijf houden, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat;
C. het recht op bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn, niet vertegenwoordigd is, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat;
D. het recht om verzoekschriften tot het Europees Parlement te richten, zich tot de Europese ombudsman te wenden, alsook zich in een van de talen van de Verdragen tot de instellingen en de adviesorganen van de Unie te richten en in die taal antwoord te krijgen.

Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de Verdragen en de maatregelen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

Artikel 21 VWEU:

1. Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

2. Indien een optreden van de Unie noodzakelijk blijkt om deze doelstelling te verwezenlijken en de Verdragen niet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, kunnen het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure bepalingen vaststellen die de uitoefening van de in lid 1 bedoelde rechten vergemakkelijken.

3. Ter verwezenlijking van dezelfde doelstellingen als in lid 1 genoemd en tenzij de Verdragen in de daartoe vereiste bevoegdheden voorzien, kan de Raad, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, maatregelen inzake sociale zekerheid en sociale bescherming vaststellen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Interne markt

Art. 3 lid 3 van het VEU eist dat de EU een interne markt tot stand brengt. In art. 26 lid 1 van de VWEU wordt deze taak nog iets uitgebreider omschreven: ‘De Unie stelt de maatregelen vast die ertoe bestemd zijn om de interne markt tot stand te brengen en de werking ervan te verzekeren’.

Interne markt

Art. 26 lid 2 VWEU geeft een definitie van het begrip interne markt: ‘De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van de Verdragen’.

Vrij verkeer van werknemers wet- en regelgeving

Art. 45 van het VWEU houdt het verbod op discriminatie in.

Artikel 45 VWEU

1. Het verkeer van werknemers binnen de Unie is vrij.

2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.

3. Het houdt behoudens de uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht in om,
     A. in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling;
     B. zich te dien einde vrij te verplaatsen binnen het grondgebied der lidstaten;
     C. in een der lidstaten te verblijven teneinde daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden;
     D. op het grondgebied van een lidstaat verblijf te houden, na er een betrekking te hebben vervuld, overeenkomstig de voorwaarden die zullen worden opgenomen in door de Commissie vast te stellen verordeningen.

4. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de betrekkingen in overheidsdienst.

Vrijheid van vestiging wet- en regelgeving

Art. 49 VWEU bevat de regels voor het verbod op de beperking van de vrijheid van vestiging.

Artikel 49 VWEU:

In het kader van de volgende bepalingen zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd.

Vrijheid van vestiging

De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal:

– De toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan;
– De oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van art. 54 alinea 2 VWEU, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.